Rb. Oost-Brabant 10 september 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:4490

ZW-zaak. Mondelinge uitspraak MK. De rechtbank oordeelt dat eiser niet de aan hem door het UWV verweten benadelingshandeling heeft gepleegd, t.w. het instemmen met ontslag terwijl het opzegverbod wegens ziekte van toepassing was. Eiser was statutair directeur en heeft zich na zijn ontslagaanzegging door de aandeelhoudersvergadering ziekgemeld. In deze situatie was het ontslagverbod wegens ziekte niet van toepassing. Voor zover het UWV stelt dat er naast deze dienstbetrekking sprake was van een andere dienstbetrekking tussen eiser en zijn (inmiddels) ex-werkgever is daarvan niet gebleken. Een later tussen eiser en zijn ex-werkgever gesloten vaststellingsovereenkomst zag, anders dan het UWV stelde, slechts toe op de financiële afwikkeling van eisers ontslag als statutair directeur. Beroep gegrond. Het UWV moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen, omdat de rechtbank onvoldoende gegevens heeft om het geschil finaal te beslechten. Verder veroordeelt de rechtbank het UWV in de daadwerkelijk door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Eiser heeft zowel in bezwaar als in beroep zijn standpunt duidelijk toegelicht, zodat handhaving van het primaire besluit d.m.v. het bestreden besluit om uitleg vroeg. Het UWV heeft, ook na een toezegging dat wel te doen, geen verweerschrift ingediend en is zonder bericht van verhindering niet ter zitting verschenen om een toelichting te geven. Ook moet het UWV het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken