Rb. Oost-Brabant 28 augustus 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:4126
WOZ-zaak. De heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de door hem vastgestelde waarde niet te hoog is. Eiser wordt, net als in de procedures over de aanslagen OZB/WOZ-beschikkingen 2005-2006, 2009, 2012, 2013, 2015, 2016, 2017 en 2018, niet gevolgd in zijn stelling dat de WOZ-waarde (beduidend) lager moet worden vastgesteld op grond van een in 2002 tussen eiser en de gemeente gesloten overeenkomst. Beroep ongegrond. De rechtbank oordeelt ambtshalve dat eiser kennelijk onredelijk gebruikmaakt van het procesrecht door beroep in te stellen tegen de in bezwaar gehandhaafde aanslag OZB/WOZ-beschikking 2019 en wederom een lagere WOZ-waarde te bepleiten met verwijzing naar de overeenkomst uit 2002. De rechtbank veroordeelt eiser nog niet in de proceskosten van de heffingsambtenaar, omdat die daar niet om heeft verzocht en omdat eiser – die niet wordt bijgestaan door een professioneel rechtsbijstandverlener – niet eerder op deze consequentie van zijn kennelijk onredelijk procesgedrag is gewezen. De rechtbank volstaat met een waarschuwing aan eiser.
De uitspraak op rechtspraak.nl