Rb. Oost-Brabant 12 augustus 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:4015
Verzoek pandhouder aan voorzieningenrechter te bepalen dat de verpande zaken aan haar zullen verblijven dan wel onderhands zullen worden verkocht. Onderwerp: Pandhouder heeft op grond van art. 496 lid 2 Rv beslag op verpande zaken gelegd. Zij wenst dat de voorzieningenrechter op grond van art. 3:251 lid 1 BW bepaalt dat d verpande zaken aan haar zullen verblijven dan wel onderhands zullen worden verkocht. De voorzieningenrechter bepaalt dat de verpande zaken voor het bedrag van de (toekomstige) vordering van verzoekster op verweerder, die minimaal € 34.924,15 bedraagt, aan verzoekster zullen verblijven indien en voor zover verzoekster voor 12 februari 2020 de voorzieningenrechter schriftelijk zal berichten dat zij wenst dat de verpande zaken aan haar zullen verblijven.
De uitspraak op rechtspraak.nl