Rb. Oost-Brabant 24 juli 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:3667
Werkloosheidswet. Weersomstandigheden. Recht op loondoorbetaling. Nawerking verlopen CAO? De aanvraag is afgewezen, omdat het Uwv zich op het standpunt stelt dat recht bestaat op loondoorbetaling op grond van artikel 7:628, eerste lid, van het BW. Eiser beroept zich op een CAO-bepaling, waaruit zou volgen dat bij het niet kunnen werken als gevolg van vorst en sneeuw, in afwijking van voornoemde bepaling uit het BW, geen recht bestaat op loondoorbetaling. Weliswaar is de betreffende CAO verlopen, maar volgens eiser is hier sprake van nawerking, omdat in zijn arbeidsovereenkomst wel wordt verwezen naar die CAO. Volgens het Uwv is artikel 7:628, eerste lid, een bepaling van driekwartdwingend recht omdat artikel 7:628, zevende lid, van het BW bepaalt dat daarvan met een CAO kan worden afgeweken. De betreffende CAO-bepaling van de reeds verlopen CAO heeft volgens het Uwv geen nawerking omdat CAO-bepalingen waarin wordt afgeweken van regels van driekwartdwingend recht, volgens het Uwv geen nawerking hebben. De rechtbank volgt het standpunt van het Uwv. In de situatie van eiser was de van toepassing zijnde CAO al verlopen toen eiser in dienst trad bij de werkgeefster. Dit betekent dat, gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad, in de situatie van eiser geen sprake kan zijn van nawerking van de betreffende CAO-bepaling. Er is daarom geen sprake van een geldige afwijking van artikel 7:628, eerste lid, van het BW, zodat voor de werkgeefster een loondoorbetalingsverplichting bestaat waarop eiser aanspraak kan maken. Deze verplichting staat in de weg aan een recht op een WW-uitkering. De verder aangevoerde stellingen, dat sprake zou zijn van strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur, worden evenmin gevolgd.
De uitspraak op rechtspraak.nl