Rb. Oost-Brabant 29 juni 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:3231
Betreft een grootschalige beleggingsfraudezaak. Verdachte heeft zich tezamen met zijn mededader schuldig gemaakt aan oplichting van 26 personen. Verdachte is nauw betrokken geweest bij de ontwikkeling van een tweetal beleggingsproducten die hij via zijn mededader als tussenpersoon heeft aangeboden en verkocht, terwijl (mede-)ontwikkelaars en adviseurs van mening waren dat de producten niet gereed én niet geschikt waren om op de markt te brengen. Gedurende drie jaren zijn producten verkocht aan doorgaans kwetsbare cliënten. Verdachten hebben schaamteloos misbruik gemaakt van de situatie waarin deze inleggers zich bevonden. In totaal is een bedrag van € 1.310.601,10 ingelegd. Tevens wordt verdachte veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen. Redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is met 3,5 jaar overschreden. In plaats van 30 maanden gevangenisstraf wordt een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden opgelegd, met aftrek van het voorarrest. Aan de benadeelde partijen zijn bedragen aan schade hoofdelijk toegewezen (kort gezegd de inleg minus de maandelijkse uitbetalingen die wel zijn gevolgd) en de schadevergoedingsmaatregel wordt telkens, ook hoofdelijk opgelegd. Van verjaring van de vorderingen tot schadevergoeding is geen sprake. De rechtbank wijst niet toe de posten immateriële schade en de kosten die betrekking hadden op het eerder gevoerde kort geding.
De uitspraak op rechtspraak.nl