Rb. Oost-Brabant 20 december 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:7328
Veroordeling voor diverse milieudelicten. Verdachte heeft een deel van de feiten tezamen en in vereniging gepleegd met de rechtspersonen waarvan hij enig aandeelhouder was en bestuurder. Vrijspraak voor een deel van de feiten voor zover gepleegd na datum faillissement. Er was sprake van ernstige gevaarzetting en van vervuiling. Het ging immers om de opslag van giftige stoffen. Ook haalde verdachte fotofixeervloeistof op terwijl hij daartoe niet gerechtigd was. Verdachte ging hier na schorsing van zijn voorlopige hechtenis mee door. Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat verdachte 3 jaar lang geen bedrijfsmatige handelingen met afval zal verrichten. Verdachte dient schade te vergoeden aan het bedrijf waarvan het pand naast een van de panden die verdachte huurde was gelegen en waar agressieve en giftige stoffen door de muur waren gedrongen. Aan de schadevergoedingsmaatregel van EUR 96.168,- koppelt de rechtbank minder dagen vervangende hechtenis dan te doen gebruikelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl