Rb. Oost-Brabant 15 november 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:6641

Aan werkneemster is eerst WIA-uitkering toegekend. Na bezwaar en beroep door werkgever wordt die uitkering beëindigd. Werkgever trekt het beroep in, werkneemster stelt beroep in. Na tussenbeschikking heeft Uwv (opnieuw) een gewijzigd besluit genomen, inhoudende dat werkneemster alsnog een volledige WIA-uitkering krijgt. Werkneemster trekt het beroep in, de werkgever komt tegen dat besluit op. De rechtbank merkt dit gewijzigde besluit aan als een 6:19 Awb besluit. Er is van rechtswege beroep van de werkgever ontstaan tegen het gewijzigde besluit. Uwv acht werkneemster ongeschikt voor het eigen werk (artikel 19, eerste lid ZW) en voor werkzaamheden die bij een soortgelijke werknemer gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid (artikel 19, vijfde lid ZW). Dit oordeel volgt de rechtbank. Uwv is volgens de rechtbank niet verplicht te toetsen aan artikel 19aa lid 5 ZW. Het beroep op artikel 28 WIA valt buiten de omvang van het geding. Het beroep van de werkgever is ongegrond, wel een veroordeling in de proceskosten van werkneemster en werkgever.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken