Rb. Oost-Brabant 4 december 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:6030
Het betreft de afwijzing van een verzoek tot erkenning van een adoptie. De adoptie valt onder de werkingssfeer van het Haags Adoptieverdrag. Noch de Nederlandse, noch de Chinese centrale adoptieautoriteiten hebben ingestemd met deze adoptie. Ook is niet gebleken dat aan enige van de overige materiële of procedurele vereisten wordt voldaan die het verdrag stelt aan interlandelijke adoptie. Dit betekent dat de in China uitgesproken adoptie die valt onder de werkingssfeer van het Verdrag met in achtneming van de bepalingen van dit Verdrag niet van rechtswege erkend kan worden. De rechtbank komt vervolgens niet meer toe aan een beoordeling of de adoptie op grond van, zoals verzocht artikel 10:109 BW, erkend kan worden. Artikel 10:107 BW bepaalt immers dat afdeling 3, die ziet op de erkenning van een buitenlandse adopties, alleen betrekking heeft op adopties waarop het Haags adoptieverdrag 1993 niet van toepassing is, dus bijvoorbeeld op adopties tussen Nederland en een niet Verdragsland. De rechtbank ziet verder ook geen aanleiding om, met voorbijgaan aan alle eisen die het Haags adoptieverdrag aan een interlandelijke adoptie tussen China en Nederland stelt, toch tot erkenning van de adoptie over te gaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl