Rb. Oost-Brabant 15 juni 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:2923
De bedoeling van artikel 5, vijfde en zesde lid, van het Bvr is dat de Raad voor de rechtsbijstand alleen bij een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000 of een opvolgende aanvraag als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 een lagere vergoeding toekent. Alleen in die situaties wordt gekeken naar rechtens relevante nieuwe feiten en omstandigheden. In het Bvr is niet bedoeld dat opvolgende aanvragen waarbij voor de eerste keer een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag plaatsvindt, een veel lagere vergoeding wordt toegekend. Daarmee doet verweerder eiser tekort. Artikel 5a Bvr ziet alleen op aanvragen, waarbij door de Minister van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in zijn besluitvorming is geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (nieuwe elementen of bevindingen).
De uitspraak op rechtspraak.nl