Rb. Oost-Brabant 2 januari 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:15
Kort geding. Derde pretendeert pandrecht(en) op vorderingen waarop door executant beslag is gelegd. Derde wordt ex art. 438 lid 5 Rv niet ontvankelijk verklaard omdat hij uitsluitend de executant en de geëxecuteerde niet heeft gedagvaard. De voorzieningenrechter komt uit proceseconomische overwegingen met een inhoudelijke beoordeling ten overvloede. De executant heeft de vordering van de eerste pandhouder van de vordering van de schuldeiser op de geëxecuteerde “overgenomen”. Met de vordering heeft de executant op grond van art. 6:142 BW tevens de door de eerste pandhouder verworven executoriale titel verkregen en kan hij voor zijn vordering op de geëxecuteerde op de vorderingen van de geëxecuteerde op derden beslag leggen. Omdat de pandakte tussen de derde en de geëxecuteerde bepaalt dat de derde de pandrechten te allen tijde openbaar kan maken, kon de derde op grond van art. 3:239 lid 3 BW na de executoriale beslagen (het) door haar gepretendeerde pandrecht(en) openbaar maken. Daardoor gaat de inningsbevoegdheid in beginsel van de deurwaarder “over” op de pandhouder. De derde heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij op grond van art. 3:239 lid 1 BW (een) pandrecht(en) heeft omdat zij geen getekende huurovereenkomsten heeft overgelegd waaruit blijkt dat de huurovereenkomsten “waarop” beslag is gelegd op het moment van de verpanding al bestonden. De executant heeft de door de derde gestelde pandrechten op de vorderingen van de geëxecuteerde op haar huurders op grond van art. 3:45 BW vernietigd. De derde heeft alleen een proefbalans overgelegd en overigens geen informatie omtrent de verpanding verschaft. Niet uitgesloten is dat het beroep van de executant op art. 3:45 BW slaagt. Conclusie is dat de huurders voorshands de huur aan de deurwaarder “van” de executant dienen te betalen. De derde kan op grond van art. 480 jo 481 Rv een rangregeling verzoeken
De uitspraak op rechtspraak.nl