Rb. Oost-Brabant 29 november 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:6332
Beeldbuizenkartel. Incidenten internationale bevoegdheid. In de bevoegdheidsincidenten is aan de orde de vraag of de vorderingen tegen een aantal buitenlandse gedaagde partijen voldoende samenhang vertonen met de vorderingen tegen de Nederlandse gedaagden. Toetsing aan artikel 7 Rv in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot artikel 6 EEX-Verordening (thans artikel 8 EEX-Vo II). Er is sprake van twee kartels, een voor Colour Display Tubes (CDT) en een voor Colour Picture Tubes (CPT). Voor een van de buitenlandse gedaagden geldt dat door de Europese Commissie alleen is vastgesteld dat zij heeft deelgenomen aan het CPT-kartel en daarvoor ook is beboet. De stellingen van eiseres bieden niet voldoende aanknopingspunten om bevoegdheid van de rechtbank aan te kunnen nemen voor de vordering van eiseres op die gedaagde uit hoofde van deelname aan het CDT-kartel. In zoverre slaagt het beroep op onbevoegdheid. Voor de overige gedaagden geldt dat er sprake is van gevaar voor onverenigbare beslissingen bij afzonderlijke berechting van de vorderingen door verschillende nationale gerechten. Er is met betrekking tot de vorderingen tegen de buitenlandse gedaagden en de vorderingen tegen de Nederlandse gedaagden sprake van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens. Voorzienbaar dat buitenlandse gedaagde in een kartelzaak voor de Nederlandse rechter gedaagd kan worden. Rechtbank verklaart zich ten aanzien van een van de gedaagden deels onbevoegd, voor het overige wijst de rechtbank de vorderingen tot onbevoegdverklaring af.
De uitspraak op rechtspraak.nl