Rb. Oost-Brabant 29 juni 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:3537

Het (bouw)plan ziet op het vestigen van een tijdelijke opvanglocatie voor asielzoekers in een voormalig kantoorgebouw aan de Parkweg 20 in Maastricht. De huisvesting van asielzoekers zal plaatsvinden op de begane grond en de eerste en tweede verdieping van het gebouw, dat uit zes bouwlagen bestaat. Het (bouw)plan is in strijd met het bestemmingsplan “Maastricht Zuidwest” omdat het beoogde gebruik van het gehele bouwwerk als maatschappelijke voorziening voor de opvang van asielzoekers in strijd is met de bestemming “Gemengd”. Om het bouwplan mogelijk te maken heeft verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), gelezen in verbinding met artikel 4, onderdeel 9 en 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) omgevingsvergunning voor bouwen en afwijking van het bestemmingsplan verleend voor de duur van vijf jaar. Deze vergunning is na bezwaar in stand gelaten. Verzoekers, omwonenden van het bouwplan, stellen dat ten onrechte geen toets is uitgevoerd aan de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. De voorzieningenrechter oordeelt, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2016, dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht zich verzet tegen vernietiging van het bestreden besluit op deze grond, temeer nu niet aannemelijk is dat de verleende vergunning zal worden aangewend om criminele activiteiten te plegen. Verder oordeelt de voorzieningenrechter dat in dit geval toepassing kon worden gegeven aan artikel 4, onderdeel 9 en 11 van bijlage II van het Bor. De tijdelijkheid van de omgevingsvergunning is voldoende gewaarborgd. Ook staan artikel 2.8 van het Bor en artikel 5, onderdeel 6, van bijlage II van het Bor niet aan de toepassing in de weg. Verweerder heeft verweerder of het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, waarbij is gekeken naar aspecten als het nut en de noodzaak van het AZC, de parkeerdruk en een goed woon- en leefklimaat en deze aspecten in het bestreden besluit besproken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder daarmee voldoende blijk gegeven van een deugdelijke belangenafweging en een toets aan een goede ruimtelijke ordening. Het aspect geluidhinder dient nog nader te worden onderzocht in de bodemprocedure maar er zijn vooralsnog geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bouwplan zou leiden onevenredige geluidshinder voor verzoekers. De enkele stelling dat zij binnen de in de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering – editie 2009” opgenomen richtafstand van 30 meter afstand van het gebouw wonen is daarvoor onvoldoende. Wat verzoekers (overigens nog) hebben aangevoerd vormt voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de omgevingsvergunning niet verleend had kunnen worden. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken