Rb. Oost-Brabant 22 mei 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:2741

Verdachte heeft gedurende twee jaar deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten waaronder de uitvoer van harddrugs naar het Verenigd Koninkrijk en het witwassen van de daaruit verkregen opbrengsten. Verdachte wordt gezien als de rechterhand van de leider van de organisatie. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien jaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Strafrecht
Parketnummer: 01/993224-13
Datum uitspraak: 22 mei 2017
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1976] ,
wonende te [woonplaats] , [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 januari 2015, 11 maart 2015, 6 maart 2017, 8 maart 2017, 20 maart 2017, 27 maart 2017, 29 maart 2017 en 8 mei 2017.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 december 2014. Deze (voorlopige) tenlastelegging is op de terechtzitting van 6 maart 2017 aangepast conform het bepaalde bij artikel 314a Sv. (bijlage 1) Met inachtneming van deze wijziging is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2014 tot en met 23 september 2014 te Eindhoven en/of Best en/of een of meer (andere) plaats(en) in Nederland en/of het Verenigd Koninkrijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (telkens) een hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne, zijnde MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in

de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 23 september 2014 te Best en/of Eindhoven tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer

-620 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

amfetamine(pasta), zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I ( [adres 2] te Best)

en/of

-5 (witte) tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I

( [adres 2] te Best)

en/of

-0,24 gram blauw poeder en tabletdelen, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I ( [adres 2] te Best)

en/of

-meerdere tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,

zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I ( [adres 3]

te Best)

en/of

-440 gram diverse kleuren poeder en/of 40 gram blauw poeder, in elk geval een hoeveelheid

van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I ( [adres 3] te Best)

en/of

-11 (hele) tabletten en 2 halve tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I (Audi A8, [kenteken 1] , Eindhoven);

3.

hij op omstreeks 23 september 2014 te Best en/of een of meer (andere) plaatsen in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van één of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde (een) middel(len) als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of één of meer

hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende(een) (ander(e)) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I), voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

-één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede

te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid,

middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

-zich en/of één of meer anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van

dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

-één of meer voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of één of

meer (andere) betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s)

(telkens) wist(en), althans ernstige reden had(den) om te vermoeden dat dat/die bestemd

was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebbende hij en/of één of meer van zijn mededaders opzettelijk daartoe (telkens en/of één of meermalen)

-een (deels gedemonteerde) tabletteermachine, rondloper, (vervuild met blauw

poeder/MDMA) en/of (rode) chemiehanschoenen en/of een (oranje) cementmolen

(vervuild met restanten blauw poeder/MDMA) en/of een groot aantal vervuilde

digitale weegschalen en/of metalen mallen (ten behoeve van het persen van

blokken/plakken verdovende middelen) en/of dozen met sealzakken besteld en/of aangeschaft en/of opgeslagen en/of vervoerd en/of voorhanden gehad

( [adres 2] te Best)

en/of

-Amfetamine reactievat voorzien van gasbranders aan de onderzijde en met bijbehorende

reflux (koelbuis) en/of

-Destillatieketel voorzien van een gasbrander aan de onderzijde en met bijbehorende

destillatiespiraal (koelbuis) en/of

-Stoomgenerator (metalen ketel met gasbrander) en/of

-2x metalen opvangtank en/of

-Loogdoseerunit en/of

-2x metalen brander bak met gasbrander en/of

-Diverse gebruikte 3 hals 20 liter rondbodemkolven (sommige gebroken) en/of

-Gasfles en/of

-Slangen en/of

-Toebehoren zoals lepels, spatels, klemmen e.d. en/of

-2 elektrische verwarmingsdekens en/of

-Diverse 220 liter klemdekselvaten

besteld en/of aangeschaft en/of opgeslagen en/of vervoerd en/of voorhanden gehad

( [adres 3] te Best)

en/of

-één of meer hoeveelheden van (een) chemische stof(fen) en/of chemicaliën (waaronder

caustic soda en/of aceton en/of zwavelzuur en/of zoutzuur en/of mierenzuur en/of APAAN)

besteld en/of aangeschaft en/of opgeslagen en/of vervoerd en/of voorhanden gehad

( [adres 3] te Best);

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 augustus 2012 tot en met 23 september 2014 te Eindhoven en/of Best en/of een of meer (andere) plaats(en) in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en anderen, te weten onder meer [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in

-artikel 10 derde lid (van de Opiumwet), te weten het aanwezig hebben en/of

-artikel 10, vierde lid (van de Opiumwet), te weten het bereiden en/of bewerken en/of

verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of het

vervaardigen en/of

-artikel 10, vijfde lid (van de Opiumwet), te weten het binnen of buiten het grondgebied van

Nederland brengen

van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

en/of

-artikel 10a, eerste lid (van de Opiumwet), te weten het verrichten van handelingen zoals

omschreven in artikel 10a eerste lid van de Opiumwet, zulks om (een) feit(en) als bedoeld

in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te

bevorderen

en/of

-artikel 11, derde lid (van de Opiumwet), te weten het in de uitoefening van een beroep of

bedrijf telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af leveren, verstrekken of

vervoeren en/of

-artikel 11, vierde lid (van de Opiumwet), te weten het binnen of buiten het grondgebied van

Nederland brengen en/of

-artikel 11, vijfde lid (van de Opiumwet), te weten een grote hoeveelheid telen, bereiden,

bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren en/of aanwezig

hebben en/of vervaardigen en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland te

brengen

van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 augustus 2012

tot en met 23 september 2014 te Eindhoven en/of Best en/of een of meer

(andere) plaats(en) in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, gevormd door verdachte en anderen, te weten onder meer [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 420 bis en/of 420ter van het Wetboek van Strafrecht, te weten (gewoonte)witwassen;

art 140 van het Wetboek van Strafrecht

5.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 augustus 2012 tot en met 23 september 2014 te Eindhoven en/of Best en/of een of meer (andere) plaats(en) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens)

*(van) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en), waaronder 3.379,20 euro

en/of 3.470,00 euro en/of 3.574,90 euro, althans een of meerdere (contante) geldbedragen

ten behoeve van de huur van een woning, gelegen aan het [adres 1] te Eindhoven

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing

verborgen en/of verhuld,

en/of

verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op bovengenoemd(e) voorwerp(en) was

en/of

bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen

en/of omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik gemaakt,

en/of

*(van) een of meerdere (contante) geldbedragen van totaal 23.905,54 euro, althans een of

meerdere (contante) geldbedragen, ten behoeve van de huur van een loods, gelegen aan [adres 4]

te Best de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing verborgen en/of verhuld,

en/of

verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op bovengenoemd(e) voorwerp(en) was

en/of

bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen

en/of omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik gemaakt,

en/of

*(van) een geldbedrag van 7.550 euro, althans een geldbedrag, ten behoeve van (aan)betaling van de huur van een villa gelegen op Ibiza

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing

verborgen en/of verhuld,

en/of

verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op bovengenoemd(e) voorwerp(en) was

en/of

bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen

en/of omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik gemaakt,

en/of

-(van) een of meer voertuig(en), te weten

*een Audi A8 (met [kenteken 1] ) en/of

* een motorscooter (met [kenteken 2] ) en/of

-een Samsung 65f9000 en/of een vlakbeugel en/of een soundbar hk bd30 (een en ander,

zoals vermeld op de factuur van [bedrijf 3] d.d. 31 januari 2014)

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing

verborgen en/of verhuld,

en/of

verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op bovengenoemd(e) voorwerp(en) was

en/of

bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit het misdrijf;

art 420ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 januari 2014 tot en met 23 september 2014 te Eindhoven en/of Best en/of Hilversum en/of Rotterdam en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of Badhoevedorp en/of Utrecht en/of Bergen op Zoom en/of Vlaardingen en/of een of meer (andere) plaats(en) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten

-een of meer geldbedrag(en), onder meer 56.000 euro en/of 120.000 euro en/of 100.000 euro

en/of 100.000 euro en/of 95.200 euro en/of 50.000 euro en/of 120.000 euro en/of 95.000

euro

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing

verborgen en/of verhuld,

althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een) voorwerp(en), te weten

-een of meer geldbedrag(en), onder meer 56.000 euro en/of 120.000 euro en/of 100.000 euro

en/of 100.000 euro en/of 95.200 euro en/of 50.000 euro en/of 120.000 euro en/of 95.000

euro was en/of

bovenomschreven voorwerp(en), te weten

-een of meer geldbedrag(en), onder meer 56.000 euro en/of 120.000 euro en/of 100.000 euro

en/of 100.000 euro en/of 95.200 euro en/of 50.000 euro en/of 120.000 euro en/of 95.000

euro voorhanden gehad,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit het misdrijf; art 420ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 23 september 2014 te Best

-een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen, merk Walther, model P22

en/of

-een of meer (onderdelen van) (een) wapen(s) van categorie III, te weten twee

patroonmagazijnen, merk Walther, model P22 gevuld met/ en/of

-munitie van categorie III, te weten 18 kogelpatronen

voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

Ten gevolge van een kennelijke schrijffout in de tenlastelegging staat in feit 5 in twee losse tekstblokken vermeld ‘terwijl hij…..afkomstig was uit het misdrijf’ in plaats van ‘terwijl hij……..afkomstig waren uit enig misdrijf’. De rechtbank herstelt deze schrijffouten en leest het laatste in plaats van het eerste. Voor zover overigens in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Bewijsbijlage

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud van de bewijsbijlage dient als hier herhaald en ingelast

te worden beschouwd. De bewijsmiddelen van alle feiten 1 tot en met 5, met uitzondering van het onderdeel witwassen (feit 5) dat ziet op privé uitgaven, dienen in onderlinge samenhang en (tijds)verband te worden beschouwd.

Inleidende opmerkingen rechtbank

Medio augustus 2012 is onder leiding van het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie een opsporingsonderzoek gestart onder de naam Gutenberg. Dit onderzoek werd opgestart naar aanleiding van meerdere CIE-meldingen in de periode van november 2009 tot en met september 2012 over [medeverdachte 1] in relatie tot georganiseerde hennepteelt en transport van weed, amfetamine en MDMA naar Engeland en dat [medeverdachte 1] en zijn zakenpartners contact hebben in de antiekhandel van de vader van [medeverdachte 1] . Het betreft hier [medeverdachte 2] en zijn antiekhandel “ [naam] ” (hierna: de antiekzaak) te [plaatsnaam] .

De inhoud van de CIE-informatie deed het vermoeden rijzen dat in de antiekzaak van [medeverdachte 2] gesprekken en/of ontmoetingen plaatsvonden die te maken hadden met criminele activiteiten. Omdat andere c.q. lichtere opsporingsmiddelen gericht op het onderscheppen van relevante communicatie, zoals telefoontaps e.d., geen soelaas boden, werd een bevel afgegeven tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie in de antiekzaak. Deze communicatie werd met ingang van 7 augustus 2013 opgenomen. De inhoud van de aldaar opgenomen communicatie leidde tot de verdenking dat naast [medeverdachte 1] , ook [medeverdachte 2] en verdachte zich schuldig maakten aan strafbare feiten. Het onderzoeksteam verdacht [medeverdachte 2] ervan betrokken te zijn bij de drugshandel van zijn zoon door deze te faciliteren en verdachte werd ervan verdacht betrokken te zijn bij diezelfde drugshandel en te handelen onder leiding van [medeverdachte 1] .

Naast het opnemen van vertrouwelijke communicatie in de antiekzaak werden nog veel andere bijzondere opsporingsmiddelen ingezet, zoals, zonder overigens volledig te willen zijn: antecedentenonderzoek, stelselmatige observaties door politieambtenaren, peilbakens en videocamera’s en het vorderen van historische (print)gegevens. Verder is informatie opgevraagd bij onder meer de Belastingdienst, banken en diverse bedrijven. Ook zijn er rechtshulpverzoeken uitgegaan naar Groot-Brittannië, België en Spanje.

Gedurende de loop van het onderzoek kreeg het onderzoeksteam aldus de beschikking over veel gevoerde communicatie en ook over steeds meer feitelijke gegevens. Telefoonnummers kwamen in beeld, waarop vervolgens een tap werd aangesloten en waarvan de historische gegevens en/of mastgegevens werden opgevraagd, personen die in beeld kwamen werden stelselmatig geobserveerd, locaties die werden bezocht werden dynamisch of statisch met een verborgen cameraopstelling geobserveerd, voertuigen die in beeld kwamen werden op tenaamstelling gecontroleerd en soms voorzien van een peilbaken etc. Op deze wijze kwamen ook andere dan de hiervoor genoemde personen als verdachte in beeld en werd het onderzoek naar deze personen uitgebreid. [medeverdachte 3] kwam net als [medeverdachte 4] in beeld als uitvoerder en ‘ondergeschikte’ van verdachte. Andere personen die in meer of mindere mate konden worden gekoppeld aan locaties die de politie met drugs in verband bracht, werden ook als verdachte aangemerkt en voorwerp van onderzoek. De rechtbank wijst in dit verband op [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] alsmede op de [VOF] en haar beide vennoten [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] . Ook moet nog worden gewezen op [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] en de tegen hen gerezen verdenking van handel in verdovende middelen door middel van het organiseren van drugstransporten. Omdat het onderzoeksteam onvoldoende verband zag tussen deze twee verdachten en de ‘hoofdzaak’ is ten aanzien van hen een apart eindproces-verbaal opgemaakt en wordt hun zaak op basis van dat afzonderlijke eindproces-verbaal beoordeeld.

Uiteindelijk heeft het onderzoek Gutenberg na een looptijd van ongeveer twee jaar geleid tot een actiedag op 23 september 2014, waarbij meerdere verdachten zijn aangehouden, een groot aantal panden en locaties en woningen van de verdachten is doorzocht en waarbij een grote hoeveelheid, ook drugsgerelateerde, goederen in beslag is genomen. Ook nadien zijn nog doorzoekingen verricht en hebben er aanhoudingen plaatsgevonden. Een aanhoudings-bevel tegen [medeverdachte 1] kon niet worden uitgevoerd. Hij is tot op heden nog altijd voortvluchtig.

misdrijven

Het onderzoek heeft tot de verdenking geleid dat in meer of minder georganiseerd verband – waarover hierna meer – verschillende misdrijven zijn gepleegd. Kort weergegeven zijn het de volgende feiten:

- een zevental transporten van verdovende middelen naar het Verenigd Koninkrijk;

- de handel in soft drugs in Nederland;

- het aanwezig hebben van verschillende soorten verdovende middelen op verschillende

locaties;

- het plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie c.q. export van verdovende

middelen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet door op verschillende locaties

voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben, bestemd voor die misdrijven;

- het voorhanden hebben van vuurwapens en/of munitie en/of andere verboden wapens;

- het witwassen van een grote hoeveelheid contante geldbedragen door het uitvoeren van

geldtransporten.

Ook heeft het onderzoek de verdenking opgeleverd dat er misdrijven op meer individuele titel werden gepleegd. Deze misdrijven betreffen feiten strafbaar gesteld bij de Opiumwet, maar ook (gewoonte)witwassen, fraude en geweld.

de verdenkingen

Ten einde een beeld te kunnen geven van de uitgebrachte verdenkingen zoals die op de tenlastelegging terecht zijn gekomen, zal de rechtbank nu kort de context schetsen van de aan de verdachten tenlastegelegde misdrijven.

Al het door het opsporingsonderzoek verkregen bewijsmateriaal heeft geleid tot de verdenking dat sprake was van een criminele drugsorganisatie met aan het hoofd [medeverdachte 1] , verdachte als zijn rechterhand en met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] als feitelijke uitvoerders onder leiding van verdachte en tenslotte [medeverdachte 2] als faciliteerder van de organisatie. Deze personen wordt deelname aan een organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) van de Opiumwet c.q. 140 van het Wetboek van Strafrecht verweten, welke organisatie het oogmerk had op het plegen van drugsmisdrijven (export en productie) en op witwassen.

Aan de organisatie wordt een aantal locaties gekoppeld, te weten:

-een opslagplaats in een schuur gelegen aan de [adres 2] te Best, zijnde het

perceel toebehorende aan [medeverdachte 6] , maar waar ook verdachte, [medeverdachte 3]

en [medeverdachte 5] mee in verband worden gebracht en alwaar verdovende

middelen en voorwerpen bestemd voor de productie van verdovende middelen zijn

aangetroffen;

-een opslagbox gelegen op het terrein aan [adres 3] te Best, die aan [medeverdachte 3] en

[medeverdachte 5] wordt toegeschreven en waar ook verdachte mee in verband wordt

gebracht, alwaar eveneens verdovende middelen en een groot aantal voorwerpen en stoffen

bestemd voor de productie van verdovende middelen zijn aangetroffen;

-een deel van het bedrijfspand gelegen aan [adres 4] te Best, dat toegeschreven wordt aan

verdachte ( [adres 4] );

-de antiekzaak van [medeverdachte 2] als ontmoetingsplaats voor [medeverdachte 1]

, verdachte en andere personen die als criminele contacten worden aangeduid en

als plaats waar contante geldbedragen en telefoons werden bewaard ten behoeve van [medeverdachte 1] c.q. de organisatie.

Verder wordt de [VOF] meer zijdelings in verband gebracht met de organisatie via betrokkenheid van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 11] bij deze VOF. De VOF heeft één winkelvestiging aan [adres 5] in Valkenswaard en één winkelvestiging in Eindhoven ( [adres 6] ). Daarnaast heeft de VOF de beschikking over een loods gelegen aan de [adres 7] te Eindhoven. Op de locaties aan de [adres 6] en de [adres 7] zijn voorwerpen en stoffen aangetroffen die verband houden met de productie van synthetische drugs.

De hiervoor genoemde veronderstelde leden van de organisatie worden ervan verdacht zich door hun betrokkenheid ook ‘zelfstandig’, waarmee wordt bedoeld: als individuele (mede)pleger, aan verschillende misdrijven te hebben schuldig gemaakt. [medeverdachte 1] , verdachte en [medeverdachte 3] aan de export van verdovende middelen, het plegen van voorbereidingshandelingen en het aanwezig hebben van verdovende middelen, zowel ter plaatse van aan de organisatie gelieerde locaties als op meer private locaties, zoals voertuigen en woningen. [medeverdachte 1] , verdachte en [medeverdachte 4] worden ook ‘zelfstandig’ verdacht van het plegen van witwassen in verband met de uitgevoerde geldtransporten. [medeverdachte 4] wordt voorts beschuldigd van het bezit van xtc-pillen. [medeverdachte 2] wordt ook van witwassen verdacht door het in bewaring nemen van grote geldbedragen ten behoeve van [medeverdachte 1] . Daarnaast wordt hij beschuldigd van verzekeringsfraude.

[medeverdachte 1] , verdachte en zijn partner [medeverdachte 12] worden daarnaast

er nog van verdacht in privésfeer zich aan witwassen schuldig te hebben gemaakt.

[medeverdachte 1] zou zich bovendien tijdens het uitgaan schuldig hebben gemaakt aan een (zware) mishandeling van een cafébezoeker.

De echtgenote van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 11] , wordt van witwassen verdacht wegens door haar en/of [medeverdachte 2] betaalde gelden in de [VOF] .

Via de aan de organisatie gelieerde locaties worden [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] ervan verdacht zich aan voorbereidingshandelingen c.q. aanwezigheid van verdovende middelen te hebben schuldig gemaakt.

Ten slotte zijn er nog op verschillende plaatsen verboden wapens c.q. munitie aangetroffen die dan naar gelang de locatie en de persoon die daaraan kan worden gekoppeld, bij de desbetreffende persoon op de tenlastelegging zijn gebracht, te weten [medeverdachte 2] , verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] .

het strafdossier

Het totale dossier Gutenberg beslaat – de stukken in de zaken tegen [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] buiten beschouwing latend – ruim 38 ordners en bevat persoonsdossiers ten aanzien van de verdachten, zaaksdossiers en aanvullingen op het eindproces-verbaal. De rechtbank is van oordeel dat het dossier in zijn geheel moet worden beschouwd en dat de tenlastegelegde feiten niet los van elkaar, maar in onderling verband en samenhang moeten worden bezien. Dit betekent onder meer dat bij feiten in het kader van een bepaald zaaksdossier ook stukken uit andere zaakdossiers kunnen worden betrokken. Dit neemt echter niet weg dat voor ieder tenlastegelegd feit afzonderlijk moet worden beoordeeld of sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

aanpak van de rechtbank

De vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is, zal hierna per zaaksdossier worden besproken, uitmondende in een conclusie of tot een bewezenverklaring of tot een vrijspraak wordt gekomen. Voor zover de rechtbank tot de beslissing komt dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust deze beslissing op de feiten en omstandig-heden als vervat in de hierboven bedoelde en in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en (tijds)verband beschouwd.

De beschuldigingen.

Verdachte wordt – samengevat – verweten deel uit te hebben gemaakt van een criminele organisatie gericht op het plegen van (gewoonte) witwassen en gericht op het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten van diverse soorten drugs (hard- en softdrugs), het (mede)plegen van meerdere (hard)drugstransporten naar het Verenigd Koninkrijk, het op meerdere locaties (mede) voorhanden hebben van harddrugs en voorwerpen en stoffen bestemd voor de productie van synthetische drugs en diverse vormen van witwassen. Tot slot wordt verdachte beschuldigd van verboden (vuur)wapenbezit met patroonmagazijnen

en munitie.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank tot een integrale bewezenverklaring zal komen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op gronden als vermeld in zijn schriftelijke pleitaantekeningen

betoogd dat de verdachte van alle feiten zal worden vrijgesproken, met uitzondering

van feit 5 (witwassen). Terzake van dit feit heeft de raadsman zich voor wat betreft de beoordeling gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het onderdeel dat ziet op audiovisuele apparatuur. Hiervan zou verdachte moeten worden vrijgesproken, omdat deze apparatuur is aangeschaft en betaald door de ouders van verdachtes partner [medeverdachte 12] .

Het oordeel van de rechtbank.

I. telefoongebruik verdachte en medeverdachten

Veel van het beschikbare bewijsmateriaal bestaat uit tapgesprekken en SMS-correspondentie. Het onderzoeksteam heeft ten aanzien van de verdachte en de mede-verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] telkens in een

op het betreffende individu toegesneden proces-verbaal van bevindingen uitgewerkt dat en waarom een bepaald 06-nummer aan deze specifieke verdachte kan worden toegeschreven. De stukken op grond waarvan die conclusie wordt getrokken zijn telkens als bijlage bij het betreffende proces-verbaal van bevindingen gevoegd.

De onderzoeksbevindingen die per genoemde (mede)verdachte(n) tot deze conclusies hebben geleid zijn neergelegd in processen-verbaal van telkens [verbalisant 1] .

Deze processen-verbaal bevinden zich in het Algemeen Dossier (bron 1.1) als volgt:

t.a.v. [medeverdachte 1] op pag. 447 t/m 462, met bijlagen op pag. 463 t/m 606;

t.a.v. verdachte op pag. 608 t/m 626, met bijlagen op pag. 627 t/m 791;

t.a.v. [medeverdachte 4] op pag. 793 t/m 803, met als bijlagen pag. 804 t/m 889;

t.a.v. [medeverdachte 3] op pag. 891 t/m 900, met bijlagen op pag. 901 t/m 1020.

Uit de processen-verbaal in combinatie met de daarbij behorende bijlagen volgt dat aan de hand van onder meer CIOT-gegevens, de inzet van een IMSI-catcher, tapgesprekken, sms-berichten, OVC-gesprekken, zendmastgegevens, peilbaken-gegevens en observaties de gebruiker van een bepaald 06-nummer is geïdentificeerd.

De rechtbank heeft de onderzoeksbevindingen en de daarop gebaseerde conclusies ten aanzien van alle afzonderlijke 06-nummers gecontroleerd en zij is tot het oordeel gekomen dat de door [verbalisant 1] getrokken conclusies over welke verdachte de gebruiker van een in de bewijsvoering van belang zijnd 06-nummer is geweest, valide is en steun vindt in de onderzoeksbevindingen zoals neergelegd in de bijlagen. Zij verenigt zich daarom met de conclusies van [verbalisant 1] in de door deze verbalisant opgemaakte processen-verbaal van bevindingen en maakt die tot de hare. De rechtbank heeft in het strafdossier noch het verhandelde ter terechtzitting aanknopingspunten gevonden om aan deze conclusies, voor zover tot bewijs dienend, te twijfelen. De rechtbank zal in de bewijsbijlage omwille van efficiency telkens volstaan met de enkele slotconclusie van [verbalisant 1] over welke verdachte als de gebruiker van een bepaald 06-nummer kan worden aangemerkt.

II. de criminele organisatie ( feit 4)

De rechtbank acht het dienstig om eerst te beoordelen of er sprake was van een criminele organisatie gericht op het plegen van Opiumwetdelicten en/of witwassen en zo ja, wie daaraan hebben deelgenomen. Immers, deelname aan een criminele organisatie behoeft

niet te hebben bestaan in het concreet gepleegd hebben van strafbare feiten. Anders geformuleerd: het is niet noodzakelijk voor de beoordeling van een criminele (drugs)organisatie dat alle verdachten gezamenlijk voor alle strafbare feiten verantwoordelijk zijn door deze al dan niet met elkaar gepleegd te hebben. Bovendien moeten die andere tenlastegelegde strafbare feiten en de rol van de verdachte(n) daarbij telkens en steeds op zichzelf worden beoordeeld langs de lat van de voor die feiten toepasselijke maatstaf. Na de beoordeling van de vraag naar het bestaan van de veronderstelde (drugs)organisatie zal de rechtbank beoordelen of één of meer van de verdachten zich individueel aan één of meer van de tenlastegelegde feiten schuldig hebben gemaakt.

Zoals hiervoor in de inleiding reeds opgemerkt, worden verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] verdacht van deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van Opiumwetmisdrijven (artikel 11a-oud Opiumwet) en/of (gewoonte-) witwassen (artikel 140 Sr).

II.1 het juridisch kader

Eerst moet er vastgesteld kunnen worden of er sprake is van een “organisatie”. Onder een organisatie in de zin van art. 11a (oud) van de Opiumwet (als logische specialis van art. 140 Sr) moet worden verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor het bewijs van zo een structureel samenwerkingsverband is niet noodzakelijk dat binnen de groep gemeenschap-pelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling hebben bestaan, waaraan individuele leden gebonden waren en door welke gemeenschappelijkheid op die deelnemers druk werd, of kon worden, uitgeoefend zich aan die regels te houden en aan die doelstelling gebonden te achten. Toepassing van geweld of dreiging met geweld binnen de groep is voor het bewijs geen factor van doorslaggevend belang. Evenmin is vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Gezagsverhoudingen (hiërarchie), rolverdeling, regels en een onder een gemeenschappelijke naam of gemeenschappelijk optreden tegenover derden zijn ook niet vereist. Niettemin kunnen gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvoering, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen c.q. handhaving van die hiërarchie door middel van geweld of dreiging met geweld wel sterke aanwijzingen opleveren voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband.

Een organisatie in vorenbedoelde zin wordt pas een criminele als vast komt te staan dat deze organisatie het oogmerk heeft op het plegen van misdrijven. Dat oogmerk moet zijn gericht op een pluraliteit van misdrijven. Het gaat hier niet om het gepleegd zijn van misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van meerdere misdrijven. Voor het bewijs van dat oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan de misdrijven die al in het kader van de organisatie zijn gepleegd en aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, te weten aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op het gemeenschappelijk doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

Van het oogmerk van de organisatie moet worden onderscheiden het oogmerk van de deelnemer. Om vast te kunnen stellen of iemand deelnemer is aan de organisatie geldt het volgende. In het deelnemen ligt het opzet besloten. Voor wat betreft het opzet van de deelnemer aan de organisatie geldt dat hij in zijn algemeenheid moet weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet is nodig enige vorm van opzet op de door de organisatie beoogde, laat staan gepleegde, concrete misdrijven, ook niet als het gaat om misdrijven van verschillende aard. Voorwaardelijk opzet is niet voldoende: de betrokkene moet in zijn algemeenheid weten dat de organisatie een misdadig oogmerk heeft. Voor deelnemen is voorts nodig dat men behoort tot de organisatie en dat de deelnemer betrokken is geweest (een aandeel hebben in dan wel ondersteunen) bij gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet is vereist dat komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met, althans bekend zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie en evenmin dat deze persoon in structurele zin gedragingen als hiervoor bedoeld heeft gepleegd c.q. daarbij betrokken is geweest.

II.2 beoordeling rechtbank

De rechtbank komt tot het oordeel dat er sprake is geweest van een organisatie in de hierboven bedoelde zin. Dat oordeel berust op een aantal pijlers die met elkaar in verband staan en in samenhang moeten worden bezien. Zij stelt aan de hand van de in de bewijs- bijlage opgenomen bewijsmiddelen daartoe onder meer het volgende vast.

- pijler 1: de verdachten en hun onderlinge verhoudingen c.q. samenwerking

Uit de bewijsmiddelen blijkt in de eerste plaats dat [medeverdachte 1] zich op aanzienlijke schaal bezig hield met criminele activiteiten met betrekking tot verdovende middelen, inhoudende zowel (de export van) hard drugs (synthetische drugs) als hennep/hasj. De rechtbank wijst dan vooral op een OVC-gesprek van 22 mei 2014 waarbij [medeverdachte 1] als gespreksdeelnemer is geïdentificeerd en waarin hij overduidelijk praat over onder meer de export van verdovende middelen en hoe hij dat aanpakt. Zo wordt er gesproken over het verpakken en transporteren van verdovende middelen, over de inbeslagname van een partij verdovende middelen, over grote geldbedragen, over de productie van en handel in synthetische drugs en over het feit dat hij “in hennep” doet. Ook vloeit uit dat gesprek een goede indicatie voort voor wat betreft de hoogte van de met die handel gemoeide geldbedragen en op welke wijze die geldbedragen terugvloeien. Ook wordt in dit gesprek de naam van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) door [medeverdachte 1] genoemd en refereert hij aan een gesprek met zijn vader ( [medeverdachte 2] ) over, zo concludeert de rechtbank, een mislukt/ onderschept illegaal transport. Voorts valt in dit gesprek op dat [medeverdachte 1] meerdere keren in het meervoud spreekt (‘ons’) als hij refereert aan illegale activiteiten. Voorts wijst de rechtbank op de criminele context van een OVC-gesprek van 1 mei 2014 met onder meer [medeverdachte 1] en verdachte als gesprekdeelnemers waarin wordt gesproken over ‘een goede locatie’, ‘geen gekke dingen gebeuren’, iets ‘afgeven’, ‘versnijden’, ‘ergens tussen gedaan’, ‘mee gerotzooid’, ‘doorspoelen’, ‘eerst testen’,

‘de stekker eruit trekken’ en ‘gas erop’.

De rechtbank trekt uit deze OVC-gesprekken in samenhang bezien met de overige tot het bewijs gebezigde OVC-gesprekken en de overige bewijsmiddelen het gevolg dat [medeverdachte 1] , daar waar hij spreekt over door hem verrichte criminele activiteiten, hij doelt op activiteiten die in het kader van de onderhavige organisatie worden uitgevoerd.

Dat [medeverdachte 1] en verdachte, behalve al jarenlange vrienden van elkaar, ook op zakelijk gebied intensief met elkaar samenwerkten kan eveneens uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. Zo blijkt dat verdachte optrad als een soort van intermediair voor [medeverdachte 1] door voor hem contacten te onderhouden en berichten door te geven, dat hij met [medeverdachte 1] zakelijke besprekingen voert en overleg daarover voert, en dat hij aanwezig was bij ontmoetingen en besprekingen tussen [medeverdachte 1] en andere personen, waarbij (11 oktober 2013 en 24 oktober 2013) klaarblijkelijk monsters van verdovende middelen worden afgegeven en waarin gesproken wordt over ‘housenootjes’, wat kennelijk xtc-pillen zijn. Dat deze samenwerking ook bestond met betrekking tot verdovende middelen blijkt voorts uit het feit dat [medeverdachte 1] , wanneer hij over zichzelf en verdachte praat, op 4 november 2013 in de antiekzaak zegt dat “wij toch de cannaclub zijn”. Ook zijn zij beide aanwezig op verschillende momenten in de antiekzaak waarbij klaarblijkelijk grote hoeveelheden geld worden geteld. Ten slotte wil de rechtbank erop wijzen dat uit een OVC-gesprek en sms-bericht kan worden afgeleid dat in de zakelijke samenwerking [medeverdachte 1] uiteindelijk de leiding had over verdachte. Zo begroet verdachte in een OVC-gesprek van 6 november 2013 [medeverdachte 1] met ‘Hé leider’ en wordt overduidelijk [medeverdachte 1] door verdachte in een sms-bericht aan [medeverdachte 4] op 26 februari 2014 aangemerkt als ‘de baas’.

Uit de bewijsmiddelen die vooral zien op de export van verdovende middelen naar het Verenigd Koninkrijk (zie hierna) en de productie c.q. voorbereiding met betrekking tot synthetische drugs (zie hierna) blijkt dat verdachte andere personen aanstuurde, met name komt dan [medeverdachte 3] in beeld. [medeverdachte 3] komt overigens ook in beeld bij de hennepactiviteiten.

Uit de bewijsmiddelen die vooral zien op de geldtransporten (zie hierna) blijkt dat verdachte contacten onderhield met [medeverdachte 4] . Het beeld dat uit die bewijsmiddelen naar voren komt is dat verdachte tegen een vergoeding gebruik maakte van de diensten van [medeverdachte 4] als chauffeur om grote geldbedragen op te halen en bij hem af te leveren. Uit de bewijsmiddelen blijkt bovendien dat [medeverdachte 4] van het bestaan en de betrokkenheid van [medeverdachte 1] afwist, aangezien er tijdens sms-verkeer op 26 februari 2014 evident sprake is van [medeverdachte 1] als ‘de baas’ en [medeverdachte 4] op enig moment een keer aan verdachte vraagt om iets te verifiëren bij “die lange” (geldtransport 3 april 2014), terwijl op “de baas” en “die lange”, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, op niemand anders gedoeld kan worden dan [medeverdachte 1] .

De rol van [medeverdachte 2] in het geheel kan als een faciliterende worden geduid. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij wist van de criminele activiteiten van zijn zoon [medeverdachte 1] en verdachte en dat zij daarbij nauw met elkaar samenwerkten. Voorts kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat hij de criminele activiteiten van zijn zoon en verdachte faciliteerde door toe te staan dat zakelijke en drugsgerelateerde gesprekken en ontmoetingen plaatsvonden in zijn antiekzaak, door grote contante geldbedragen in ontvangst te nemen en te bewaren of aan verdachte af te geven, door telefoons in bewaring te nemen en door boodschappen voor [medeverdachte 1] aan te nemen. Tot slot leidt de rechtbank uit de inhoud van een OVC-gesprek van 27 februari 2014 af dat [medeverdachte 2] zijn zoon [medeverdachte 1] altijd op de hoogte hield

van zijn ( [medeverdachte 2] ) eigen activiteiten.

- pijler 2: de export van verdovende middelen naar het Verenigd Koninkrijk

Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat in de periode van 1 februari 2014 tot en met 28 mei 2014 een aantal transporten van verdovende middelen heeft plaatsgevonden naar het Verenigd Koninkrijk. In totaal acht de rechtbank bewezen dat vijf van de zeven tenlastegelegde transporten hebben plaatsgevonden. Ook acht de rechtbank bewezen dat het hier telkens om transporten van harddrugs (middelen als bedoeld op Lijst I van de Opiumwet) ging. Zo is bij het transport van 9 april 2014 de lading onderschept en betrof het in totaal een hoeveelheid van circa 48 kilogram MDMA en 36 kilogram amfetamine en betrof het onderschepte transport van 28 mei 2014 een hoeveelheid van circa 23 kilo MDMA, 15 kilo xtc-pillen en 10 kilo cocaïne.

De rode draad die door deze georganiseerde transporten loopt, is de betrokkenheid van verdachte. Hij is degene die telkens in de sms-contacten met de Britse chauffeur ( [betrokkene 1] c.q. [betrokkene 2] ) het tijdstip en de plaats van de ontmoeting regelt waarbij dan kennelijk de contrabande aan de chauffeur wordt meegegeven teneinde vervolgens te worden getransporteerd naar het Verenigd Koninkrijk. De aard en inhoud van de onderschepte communicatie laat – bij gebreke van een adequate verklaring van verdachte die ten enenmale is uitgebleven – redelijkerwijs geen andere conclusie toe. Ook kan uit die communicatie worden afgeleid dat verdachte bij enkele gelegenheden iemand anders op pad stuurt om die overdracht namens hem te bewerkstelligen - bij in ieder geval één gelegenheid is dat [medeverdachte 3] geweest - en dat verdachte bij in ieder geval één transport contact opneemt met de chauffeur in opdracht van iemand anders. Uit het dossier is maar van één persoon gebleken van wie verdachte opdrachten aannam: [medeverdachte 1] .

Wat uit de bewijsmiddelen ten aanzien van deze drugstransporten ook kan worden afgeleid, is het gebruik van de hiervoor reeds genoemde opslagbox gelegen op het terrein aan [adres 3] te Best, die mede aan [medeverdachte 3] kan worden toegeschreven, en het bedrijfspand gelegen aan [adres 4] te Best, die aan verdachte kan worden toegeschreven, ten behoeve van mede deze transporten. Zo kan de opslagbox gelegen aan [adres 3] via de daarin aangetroffen kassabon van de aankoop op 19 maart 2014 van acht KIPSTA tassen bij Decathlon in Best gekoppeld worden aan het onderschepte drugstransport van 9 april 2014 (chauffeur [betrokkene 1] ), aangezien de verdovende middelen werden aangetroffen in identieke tassen als die aangekocht waren. Deze locatie kan bovendien gekoppeld worden aan het eveneens onderschepte transport van 28 mei 2014 (chauffeur [betrokkene 2] ) via de conclusie van de deskundige dat het bijna zeker is dat de sealnaden van de bij dit transport aangetroffen sealzakken met daarin verdovende middelen zijn veroorzaakt met één van de sealmachines

die in de opslagbox zijn aangetroffen. De locatie aan [adres 4] te Best kan vervolgens aan de transporten van 4 maart 2014 en 27/28 mei 2014 worden gekoppeld doordat in beide gevallen is waargenomen dat de VW Crafter met het [kenteken 3] en met, zo concludeert de rechtbank, telkens [betrokkene 2] als bestuurder het bedrijfspand binnen rijdt alwaar – eveneens als conclusie van de rechtbank – verdovende middelen in de VW Crafter zijn geladen. Daarnaast kan datzelfde bedrijfspand worden gekoppeld aan het transport van 17 maart 2014, doordat [medeverdachte 3] die dag vanuit dat pand komt gereden met, zo stelt de rechtbank vast, verdovende middelen bestemd voor een overdracht in Familleureux (België). Bij dit laatste voorval mag niet onvermeld blijven dat [medeverdachte 3] de drugs heeft

vervoerd in een Mercedes Vito in gebruik bij [medeverdachte 1] .

De locaties gelegen aan [adres 3] en [adres 4] , beiden in Best, kunnen aldus aan de organisatie worden toegeschreven en stonden kennelijk ten dienste van het plegen van de Opiumwetmisdrijven die de organisatie ontegenzeggelijk mede als oogmerk heeft gehad.

Of één of meer van de verdachten zich ook ‘individueel’ als pleger of medepleger aan één of meer van deze transporten heeft schuldig gemaakt, komt later aan de orde.

- pijler 3: hennepactiviteiten

Dat ook sprake is geweest van hennep gerelateerde activiteiten blijkt uit de in het dossier uitgewerkte vermoedelijke negen leveringen van soft drugs. De rechtbank zal de inhoud van de stukken die zien op vier ‘henneptransporten’ tot het bewijs bezigen voor de conclusie dat de organisatie mede het plegen van hennepmisdrijven als oogmerk had. Uit die bewijs-middelen blijkt telkens van een nauwe betrokkenheid van verdachte. Zo wordt hij waargenomen bij een overdracht op 28 januari 2014 en hij regelt een overdracht op 22 februari 2014 waarbij hij tijd en plaats afspreekt met een onbekend gebleven persoon die dan voor het inladen gebruik maakt van de bedrijfsbus van [medeverdachte 3] die zijn bus op de vooraf afgesproken locatie had achtergelaten, verdachte die persoon op ‘jammers’ in de auto van [medeverdachte 3] wijst en waarbij [medeverdachte 3] uiteindelijk met de ontvangen lading naar, zo concludeert de rechtbank, het bedrijfspand aan [adres 4] rijdt. Voorts blijkt dat verdachte de overdrachten regelt en coördineert wat betreft de leveringen van 3 maart 2014 en 25 maart 2014 en dat hij daarbij ook gebruik maakt van anderen. Bij het laatstgenoemde transport komt ook de betrokkenheid van [medeverdachte 4] naar voren, niet zo zeer als concrete uitvoerder van het transport, maar wel als de persoon die verdachte inschakelt om, nadat hij het observatieteam van de politie in de gaten heeft gekregen, onmiddellijk tassen op te halen en een werkhok leeg te ruimen, daarbij kennelijk doelende op de locatie [adres 8] (woning moeder van verdachte), alwaar immers uiteindelijk een verborgen ruimte is aangetroffen die ogenschijnlijk was bestemd om daarin een hennepkwekerij aan te leggen en zeer recent grondig was schoongemaakt. Dat het bij deze transporten om hennep ging, leidt de rechtbank af uit opgenomen gesprekken waarin kennelijk bedragen worden genoemd die, gezien hun hoogte, goed passen bij hennephandel. Ook wijst de rechtbank op de aange-

troffen THC sporen in voertuigen die in dit kader door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] werden gebruikt.

Dat de organisatie zich mede met hennep heeft ingelaten vindt naar het oordeel van de rechtbank bevestiging in uitlatingen van [medeverdachte 1] in het hiervoor reeds aangehaalde OVC-gesprek van 22 mei 2014 waarin hij zegt dat hij nu in hennep doet, een OVC-gesprek van 4 november 2013 waarin hij zegt ‘wij zijn de cannaclub’ en een OVC-gesprek van 7 november 2013 waarin hij spreekt over ’scharen’ en ‘knippen’ en waarbij [medeverdachte 2] het heeft over ‘lampen’. Bovendien zijn daar nog OVC-gesprekken waarin wordt gesproken over ‘kilo’s’ en/of ‘hokken’ hetgeen tegen de achtergrond van het voorgaande niet anders kan worden uitgelegd dan aan hennep gelieerd. Tot slot kan niet onvermeld blijven dat in twee van de aan de organisatie verbonden locaties, te weten de opslagbox aan [adres 3] te Best en de garage aan de [adres 2] te Best, 9 plakken hasj à 920 gram – overigens kennelijk soortgelijk qua afmeting als de mallen/pers die op locatie [adres 2] zijn aangetroffen – onderscheidenlijk 3 plakken hasj, hennep en henneptoppen zijn aangetroffen.

- pijler 4: productie van synthetische drugs c.q. voorbereidingshandelingen daartoe

Dat de organisatie zich ook bezig hield met de productie van synthetische drugs, althans in ieder geval met voorbereidingshandelingen daartoe, volgt uit de op de actiedag van 23 september 2014 aangetroffen situatie in de hiervoor reeds genoemde opslagbox aan [adres 3] in Best en de opslaglocatie aan de [adres 2] te Best. Uit de bewijs-middelen komt – samengevat – naar voren dat nagenoeg alle benodigdheden voor het totale productieproces van synthetische drugs aanwezig waren, te weten het proces van vervaardiging van BMK uit apaan met zoutzuur, de vervaardiging van amfetamine uit BMK volgens de bekende Leuckartmethode en het tabletteren van MDMA. Ook wordt op beide locaties eindproduct (MDMA/amfetamine) aangetroffen. Voorts verdient opmerking dat de op beide locaties aangetroffen voorwerpen en stoffen evident complementair aan elkaar zijn, in die zin dat als de goederen als aangetroffen op de twee locaties met elkaar gecombineerd worden, dit een compleet drugslaboratorium oplevert, inzetbaar voor bijvoorbeeld de productie van amfetamine en/of MDMA. Op [adres 3] ontbrak een tabletteermachine, die op de [adres 9] werd aangetroffen. Naast de al eerder genoemde omstandigheden waaruit de band tussen [adres 3] en de [adres 2] kan worden afgeleid, wijst de rechtbank op de door de politie geconstateerde overeenkomsten tussen verschillende op deze twee locaties aangetroffen voorwerpen. Zo worden op beide locaties soortgelijke pollepels, soortgelijk zwart verpakkingsplastic/krimpfolie en soort-gelijke sealzakken aangetroffen.

De rechtbank betrekt bij haar conclusie dat beide locaties met elkaar verbonden zijn en aan de organisatie toebehoren niet elk bewijsmiddel afzonderlijk, maar in onderling verband en samenhang bezien.

Of één of meer van de verdachten zich ook ‘individueel’ als pleger of medepleger aan

strafbare voorbereidingshandelingen met betrekking tot verdovende middelen heeft schuldig gemaakt, komt later aan de orde.

- pijler 5: geldtransporten

De organisatie had, zo luidt de verdenking, naast het plegen van Opiumwetfeiten ook witwassen als oogmerk. Dat wordt in het dossier aldus uitgewerkt dat de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] feitelijke betrokkenheid zouden hebben gehad bij de in het strafdossier nader uitgewerkte negentien veronderstelde transporten van contante geldbedragen die in de periode van 20 januari 2014 tot en met 4 juli 2014 zouden hebben plaatsgevonden.

De rechtbank komt tot het oordeel dat inderdaad sprake is geweest van een groot aantal transporten van contante geldbedragen. Zij baseert dat oordeel op de bevestiging die verkregen wordt door de aanhouding op heterdaad van geldkoerier/chauffeur [betrokkene 3] op 4 juli 2014 terwijl hij een contant geldbedrag van € 95.000,- onder zich heeft in combinatie met de daaraan voorafgaande SMS-contacten tussen verdachte en kennelijk de geldgever waarin onderling een tijd en plaats voor de ontmoeting wordt geregeld, een observatie waarin de door verdachte aan de geldgever genoemde auto waarin [betrokkene 3] werd aangehouden ook gezien wordt en gezien wordt dat er een onbekende man bij de bestuurder van deze auto, die later dus [betrokkene 3] blijkt te zijn, instapt en [betrokkene 3] later wegrijdt. De rechtbank wil hier niet onvermeld laten dat de auto waarin [betrokkene 3] op dat moment reed op naam stond van hetzelfde bedrijf als het bedrijf op wiens naam de auto’s van [medeverdachte 1] en verdachte stonden, zijnde [bedrijf 1] , en dat uit een observatie is gebleken van een ontmoeting op 1 mei 2014 van onder meer [medeverdachte 1] , verdachte en [betrokkene 3] . Uit dit alles wordt dan ook geconcludeerd dat de geldtransporten werden verricht uit hoofde van en ten dienste van de organisatie.

Dat de eerdere transporten ook geldbedragen betroffen, leidt de rechtbank af uit de min of meer identieke gang van zaken bij deze transporten: verdachte heeft contact met klaarblijkelijk de geldgevers, hij krijgt of geeft een adres voor de overdracht en er wordt een code uitgewisseld kennelijk ter identificatie van de bewuste geldgever en om herleid-baarheid van het geldbedrag mogelijk te maken. Voorts kan dit oordeel worden gestoeld op de inhoud van de gevoerde communicatie, waarbij in het bijzonder moet worden gewezen op het sms-bericht van verdachte op 23 januari 2014 waarin deze na verwarring over het kennelijk ontvangen geldbedrag een dag eerder meldt dat “de geldmachine” niet liegt en een tapgesprek van 23 juni 2014 waarin [medeverdachte 4] zegt dat hij “het geld” al heeft gehaald.

Uit de bewijsmiddelen vloeit feitelijke en directe betrokkenheid van verdachte rechtstreeks voort. Niet alleen als de persoon die elk transport orkestreert, maar ook feitelijk als chauffeur/ophaler van het geld op 13 mei 2014, toen [medeverdachte 4] desgevraagd aan verdachte berichtte dat hij niet beschikbaar was, en op 16 juni 2014. De betrokkenheid van [medeverdachte 4] als chauffeur komt ook rechtstreeks uit de bewijsmiddelen naar voren: niet alleen wordt hij bij drie transporten door observanten positief geïdentificeerd als geldophaler, ook zijn voertuig wordt bij een aantal transporten waargenomen.

De rechtbank is van oordeel dat redelijkerwijs geen andere conclusie mogelijk is dan dat deze transporten verband hielden met betalingen door derden aan de organisatie wegens door deze geleverde verdovende middelen. Steun voor deze conclusie vindt de rechtbank in OVC-gesprekken waar verdachte en [medeverdachte 1] aan deelnemen en waar het tellen van geld te horen is en een telmachine wordt genoemd. Door geen van de verdachten is een ander scenario aangevoerd en evenmin is uit het verhandelde ter terechtzitting of het strafdossier een andere verklaring voor de transporten dan deze door de rechtbank getrokken conclusie aannemelijk geworden. In het bijzonder is niet aannemelijk geworden dat de organisatie als mede-activiteit het zogenaamde Hawala-bankieren of ondergronds bankieren bedreef.

Of één of meer van de verdachten zich ook ‘individueel’ als pleger of medepleger aan dit witwassen heeft schuldig gemaakt, komt later aan de orde.

- pijler 6: professionaliteit en georganiseerdheid

Uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen, blijkt zonneklaar dat het hier een goed functionerende organisatie betrof. Dat moge ook blijken uit het feit dat op professionele wijze getracht werd het zicht op de activiteiten van de verschillende personen te bemoeilijken. Zo werd nagenoeg uitsluitend gecommuniceerd met behulp van telefoons die niet of zeer lastig zijn af te luisteren. Overigens vond er maar sporadisch daadwerkelijk telefonisch gesproken contact plaats. Dat was kennelijk ‘usance’ binnen de organisatie en is blijkens onderschepte communicatie ook daadwerkelijk als een zodanig gebruik geduid. Er werd om de opsporing te bemoeilijken vooral gecommuniceerd via

sms-berichten en daarin werd evident versluierd taalgebruik gebezigd. Daartoe werd gebruik gemaakt van prepaid toestellen en vaak van één-op-één lijnen en ook werd er zeer frequent gewisseld van telefoon. Voorts vonden de zakelijke besprekingen in openbare en niet steeds dezelfde horecagelegenheden plaats, zodat afluisteren zeer moeilijk werd gemaakt, maar vooral vonden de zakelijke besprekingen plaats in de relatieve beslotenheid van de door [medeverdachte 1] en verdachte vertrouwde locatie van de antiekzaak van [medeverdachte 2] . Ook is gebleken van het gebruik van technische hulpmiddelen om opsporing door de politie te bemoeilijken, zoals jammers, en maakten [medeverdachte 1] en verdachte bij hun activiteiten, maar ook privé, gebruik van voertuigen die, kennelijk ter afscherming van het eigendom van deze voertuigen, bewust niet op hun eigen naam waren gesteld, maar op naam van een bedrijf dat indirect banden heeft met verdachte ( [bedrijf 1] ).

II.3 conclusie en respons op verweren

Voor zover door de verdediging is betoogd dat sprake moet zijn van andere of striktere aan een organisatie als bedoeld in art. 11a (oud) van de Opiumwet en art. 140 Sr. te stellen eisen dan hiervoor door de rechtbank vooropgesteld, wordt het verweer reeds nu verworpen op de grond dat het verweer geen steun vindt in het recht. Maar ook voor zover het verweer weliswaar uitgaat van het hierboven geschetste juridische kader maar berust op de stelling dat voldoende bewijs ontbreekt om van een organisatie als hiervoor bedoeld te kunnen spreken dan wel dat onvoldoende bewijs voorhanden is voor de conclusie dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen, kan het niet slagen.

De rechtbank stelt aan de hand van de door haar gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de onderscheidenlijke pijlers en de rol van de verdachten daarbij vast, dat in de tenlastegelegde periode op grote schaal drugsgerelateerde misdrijven werden gepleegd en contante geldbedragen werden witgewassen. In locaties die aan de organisatie kunnen worden toegeschreven, werden voorwerpen en stoffen aangetroffen die zonder redelijke twijfel bestemd waren voor het omzettings- dan wel productieproces van synthetische drugs en op in elk geval twee locaties werden ook daadwerkelijk eindproducten (synthetische drugs) aangetroffen alsmede softdrugs. Bij productie of het bevorderen daarvan bleef het evenwel niet. Ook werd er op grote schaal gehandeld, ook internationaal, in verdovende middelen, zowel hard- als soft drugs en werden de daarmee behaalde verdiensten witgewassen. Om zo ongehinderd mogelijk te kunnen werken en om het zicht op de handel te belemmeren werden tactieken aangewend en technische hulpmiddelen gebruikt. Kortom: het ging er zeer professioneel aan toe. Een en ander geschiedde binnen een gestructureerd samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 1] aan de top en met verdachte als zijn rechterhand. Verdachte was de persoon met wie [medeverdachte 1] zakelijke dingen besprak, die met hem meeging naar ontmoetingen en die zijn vertrouweling was. [medeverdachte 2] gold als de persoon die de organisatie een veilige plek kon verschaffen om ontmoetingen voor de drugshandel te houden, om berichten voor [medeverdachte 1] en/of verdachte achter te laten en om geld en/of telefoons op te bergen: de antiekwinkel. Directe contacten tussen [medeverdachte 1] en de overige personen zijn niet vastgesteld kunnen worden, hetgeen steun biedt aan het oordeel van de rechtbank dat het kennelijk de taak van verdachte was om de verschillende activiteiten uit te voeren. Voor het uitvoeren van die activiteiten (de export, de geldtransporten en de voorbereidings-handelingen) maakte hij voornamelijk gebruik van personen die binnen de organisatie daadwerkelijk het meeste risico liepen: de uitvoerders [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] .

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de samenwerking, hoewel niet telkens tussen alle verdachten onderling, niet incidenteel is geweest; integendeel, deze samenwerking had ontegenzeggelijk een duurzaam karakter en stond, hoewel dus in een afwisselende samen-stelling van verdachten, telkens ten dienste van de drugshandel en het witwassen van de daarmee verdiende geldbedragen. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een dusdanige duurzaamheid en structuur, dat sprake is van een organisatie als bedoeld in art. 11a (oud) van de Opiumwet en art. 140 Sr. Gelet op de door de deelnemers aan de organisatie gepleegde handelingen, het duurzame en gestructureerde karakter van de samenwerking en de planmatigheid en stelselmatigheid van de activiteiten was het oogmerk van de organisatie gericht op het opzettelijk verrichten van de hierna bewezenverklaarde drugsmisdrijven en op het witwassen van de verdiensten.

Ten slotte moet ten aanzien van elk van de verdachten worden vastgesteld dat hij behoorde tot de organisatie, dat hij betrokken is geweest (een aandeel hebben in dan wel ondersteunen) bij gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie door daar ofwel een direct aandeel in te hebben ofwel meer ondersteunende handelingen in te hebben verricht en dat hij – al dan niet in zijn algemeenheid ( [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] ) – wist dat hij deel uit maakte van een samenwerkingsverband dat als oogmerk het plegen van (drugs)misdrijven en witwassen had.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

III. uitvoer drugs Verenigd Koninkrijk (feit 1)

Gelet op de inhoud van het dossier en het requisitoir van het openbaar ministerie, ziet het tenlastegelegde op zeven transporten van harddrugs vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk. Die zeven transporten zouden hebben plaatsgevonden in het jaar 2014 op

respectievelijk 25 februari, 3/4 maart, 17 maart, 8/9 april, 29 april, 8 mei en 27/28 mei.

De rechtbank zal allereerst de bewezenverklaarde drugstransporten bespreken aan de hand van de in dat verband in de bewijsbijlage opgenomen en weergegeven bewijsmiddelen.

III.1 drugstransport 27/28 mei 2014 (chauffeur [betrokkene 2] )

Op 28 mei 2014 wordt op Brits grondgebied nabij de kanaaltunnel te Calais door douane-ambtenaren een Volkswagen Crafter (hierna telkens VW Crafter) met het Brits [kenteken 3] gecontroleerd. Daarin worden na verwijdering van interieurpanelen ongeveer

11 kilo cocaïne, 23 kilo MDMA-poeder en 51.800 tabletten MDMA aangetroffen. De chauffeur van de VW Crafter was [betrokkene 2] , die een dag eerder – op 27 mei 2014 rond 15.20 uur – de overtocht van Dover naar Calais had gemaakt.

Op grond van de volgende feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat in de

VW Crafter op 27 mei 2014 in aanwezigheid van verdachte harddrugs zijn geladen in de loods gelegen aan [adres 4] te Best.

*Op camerabeelden die zijn gemaakt van de loods is te zien dat op 27 mei 2014 om 21.16

uur een witte VW Crafter de loods binnenrijdt terwijl ook verdachte daar is. Het kenteken

van de VW Crafter is dan kennelijk niet te zien maar wel dat die kentekenplaten wit zijn.

Om 22.16 uur (volgens de camerabeelden) rijdt de VW Crafter de loods weer uit.

Observanten zien om 22.18 uur op De Maas een witte VW Crafter rijden met het Brits

[kenteken 3] . De rechtbank concludeert hieruit dat de VW Crafter die in de loods is

geweest dezelfde auto is als die waarin later de drugs zijn aangetroffen. Observanten van

politie zien voorts dat de VW Crafter de Nederlands-Belgische grens passeert. Later zien

observanten dat de VW Crafter stopt bij een tankstation aan de A10 te Jabbeke (België),

waar deze gedurende ongeveer 4 uur wordt geparkeerd. De bestuurder stapt in de laad-

ruimte en verblijft daar vier uur lang en bij het uitstappen wordt gezien dat hij mank

loopt. De douanebeambte die uren later de VW Crafter controleert, ziet dat de bestuurder

- die dan is geïdentificeerd als [betrokkene 2] - met krukken loopt. De rechtbank concludeert

op grond van de onafgebroken observatie vanaf 22.18 uur tot aan de Franse grens in samen-

hang met het specifieke persoonkenmerk van [betrokkene 2] dat hij mank loopt, dat het

[betrokkene 2] is geweest die met de VW Crafter de loods te Best heeft bezocht.

*Aan de ontmoeting tussen verdachte en [betrokkene 2] gaan sms-berichten van verdachte

vooraf waarin een tijdstip wordt afgesproken en een adres in Best dat vlakbij de loods is

gelegen. De beide deelnemers aan dit sms-verkeer houden elkaar voortdurend op de hoogte

van hun aankomsttijd, die correspondeert met het tijdstip waarop de VW Crafter daad-

werkelijk bij de loods arriveert. Als de Engelse douane een dag later de VW Crafter

doorzoekt, wordt een Nokia telefoon aangetroffen. Het door verdachte gebruikte telefoon-

nummer staat opgeslagen in de contactenlijst van die Nokia en een deel van de door het

Nederlandse onderzoeksteam onderschepte sms-berichten is daarin terug te vinden. Uit dit

alles leidt de rechtbank af dat het de bestuurder van de VW Crafter – [betrokkene 2] dus –

was met wie verdachte sms’te. En hoewel uit de camerabeelden blijkt dat verdachte ruim

een half uur eerder uit de loods is vertrokken dan de VW Crafter, kan uit het bericht van

[betrokkene 2] “all ok” en het antwoord van verdachte daarop “Thanks mate, I try to work

something out dat would make you happy. See you next week” worden opgemaakt dat

[betrokkene 2] in de loods met iets bezig is geweest - kennelijk het verstoppen van pakketten

drugs in het interieur van de bestelauto - buiten aanwezigheid van verdachte. Deze

vaststelling is significant voor de werkwijze van verdachte en relevant voor het bewijs van

hierna te bespreken transporten van 29 april waar diezelfde werkwijze wordt gevolgd.

De rechtbank komt op grond van deze feiten en omstandigheden, bezien in samenhang met de redengevende feiten en omstandigheden die aan de bewezenverklaring van hierna te bespreken transporten ten grondslag liggen, tot het oordeel dat de op 28 mei 2014 bij [betrokkene 2] aangetroffen MDMA en cocaïne door verdachte is geleverd. Verdachte heeft in nauwe en bewuste samenwerking met [betrokkene 2] MDMA en cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk uitgevoerd.

III.2 drugstransport 3/4 maart 2014 (chauffeur [betrokkene 2] )

De rechtbank stelt op grond van navolgende feiten en omstandigheden vast dat [betrokkene 2] ook op 4 maart 2014 de loods gelegen aan [adres 4] te Best heeft bezocht.

*Verdachte wisselt op 4 maart 2014 sms-berichten uit met de gebruiker van een Brits

telefoonnummer. Deze laat weten dat hij een grote VW bestelbus rijdt met [kenteken 3]

. De strekking van de berichten is dat verdachte goederen gaat overdragen en

dat ze een plek zoeken om dat “veilig” te kunnen doen.

*Observanten van politie zien op 4 maart 2014 een witte VW Crafter waarbij het stuur

rechts zit, een Brits voertuig dus, de loods binnen rijden. De observanten hebben toen

kennelijk niet het kenteken kunnen waarnemen. Twaalf minuten later zien de observanten

een VW Crafter over De Maas in Best rijden die als [kenteken 3] heeft, zijnde het

kenteken dat de gebruiker van het Britse telefoonnummer heeft doorgegeven.

*Het voertuig met dit kenteken is op 3 maart 2014 te zien op camerabeelden van de terminal

van de Kanaaltunnel te Groot Brittanië en op 4 maart 2014 op beelden van de UK Control Zone te Calais. Als passagier van dit voertuig was de naam [betrokkene 2] opgegeven. Ook verbindt de rechtbank hieraan de conclusie dat [betrokkene 2] de gebruiker is van het Brits telefoonnummer waarmee verdachte op 3 en 4 maart 2014 sms-contact heeft.

Ter beantwoording van de vraag wat [betrokkene 2] in de loods is komen doen, acht de recht-bank het navolgende van belang. Het sms-verkeer houdt zoals gezegd in dat verdachte goederen aan [betrokkene 2] gaat overdragen en dat ze een plek zoeken waar ze dat “veilig” kunnen doen. De goederen worden aangeduid met “chairs” (stoelen). Verdachte heeft al iemand met een busje op weg gestuurd, maar stelt uiteindelijk aan [betrokkene 2] voor om naar Best te komen omdat hij, verdachte, daar een veilige plek heeft waar [betrokkene 2] binnen kan parkeren en daar kan laden. Op straat spullen overladen, vindt verdachte niet veilig en zeker niet in België. Aan de chauffeur die al op weg is laat verdachte weten dat hij terug moet komen. Verdachte is kennelijk tegelijk met [betrokkene 2] in de loods geweest, want tijdens de hiervoor genoemde observatie van het bezoek van [betrokkene 2] aan de loods, zien de obser-vanten de Audi A8 van verdachte staan. Significant voor de aard van de overgedragen goederen is voorts het volgende. Komend uit de loods stopt [betrokkene 2] met de VW Crafter bij de nabij gelegen groothandel Makro waar hij bijna twee uur blijft staan. In de tussentijd sms’t [betrokkene 2] aan verdachte dat hij “10 green” terug moet geven omdat het niet past en vervolgens dat het toch is gelukt. Hij spreekt over tassen/zakken waar teveel lucht in zat.

De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat in de loods aan [adres 4] in Best harddrugs zijn overgedragen. Dat de overgedragen goederen werkelijk stoelen zijn geweest, past geenszins bij een lading die risicovol is en die past in tassen of zakken. Door de over te dragen goederen aan te duiden met “chairs” heeft verdachte bewust de ware aard van de goederen willen verhullen voor eventuele lezers van de sms-berichten. Een risicovolle lading die in tassen/zakken is verpakt, komt veel meer overeen met de lading die op 28 mei 2014 bij [betrokkene 2] is aangetroffen en die lading betrof harddrugs.

Al met al acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 4 maart 2014 in nauwe en bewuste samenwerking met [betrokkene 2] en een derde harddrugs naar het Verenigd Koninkrijk heeft uitgevoerd. Dat er sprake is geweest van harddrugs leidt de rechtbank af uit de op 28 mei 2014 bij [betrokkene 2] aangetroffen verdovende middelen zoals hiervoor besproken.

III.3 drugstransport 29 april 2014 (chauffeur [betrokkene 2] )

Bezien in onderlinge samenhang en (tijds)verband met de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank bewezen acht dat verdachte op 27/28 mei 2014 en op 3/4 maart 2014

strafbaar betrokken is bij drugstransporten naar het Verenigd Koninkrijk, acht de rechtbank op grond van het navolgende bewezen dat ook op 29 april 2014 een transport van harddrugs naar het Verenigd koninkrijk heeft plaatsgevonden waarbij verdachte diezelfde betrokken-heid heeft.

*Tussen verdachte en de gebruiker van een Brits telefoonnummer wordt een ontmoeting

afgesproken in Best op hetzelfde adres als dat waar op 4 maart 2014 werd afgesproken,

te weten het adres van groothandel Makro te Best (Brem 4 in Best). Op 4 maart 2014 is

verdachte aldaar met zijn Audi A8 [betrokkene 2] gaan ophalen.

*Er vindt op 29 april 2014 daadwerkelijk een ontmoeting plaats want de gebruiker van het Britse telefoonnummer sms’t “I’m here”. Aangenomen kan worden dat net als op 4 maart 2014 verdachte ook op 29 april 2014 zijn bezoeker heeft opgehaald en dat verdachte deze bezoeker (tevens de gebruiker van het Britse telefoonnummer) net zoals later op 27/28 mei 2014 de drugs zelf laat inladen. Verdachte sms’t immers “And mate you think you get it done or do you need me back again?”

*Dat daadwerkelijk iets is overgedragen en ingeladen, blijkt ook uit het feit dat de gebruiker

van het Britse telefoonnummer op de vraag van verdachte of hij nog meer ruimte heeft,

sms’t dat hij er niks meer bij kan hebben (“No full up”).

* [betrokkene 2] is op 29 april 2014 van Dover naar Calais gereisd en is op 30 april 2014

teruggereisd.

De rechtbank acht de conclusie gerechtvaardigd dat het [betrokkene 2] is geweest die verdachte in de loods gelegen aan [adres 4] in Best heeft bezocht en dat daar evenals op 27 mei 2014 drugs zijn ingeladen waarna [betrokkene 2] met die drugs naar het Verenigd Koninkrijk

is gereden. Verdachte heeft dit drugstransport in nauwe en bewuste samenwerking met [betrokkene 2] gepleegd.

III.4 drugstransport 8/9 april 2014 (chauffeur [betrokkene 1] )

Op 9 april 2014 wordt te Dover (Verenigd Koninkrijk) in een vrachtwagen ongeveer 48 kilogram MDMA en 36 kilogram amfetamine aangetroffen, in pakketten van één of twee kilogram verdeeld over sporttassen van het merk Kipsta. De vrachtwagen had juist daarvoor de oversteek van Calais naar Dover gemaakt en een dag eerder – op 8 april 2014 – die van Dover naar Calais. Op 8 april 2014 heeft veelvuldig sms-contact plaatsgevonden tussen een Brits telefoonnummer en een telefoonnummer dat in gebruik was bij verdachte. Die sms-berichten gaan over een ontmoeting en het overdragen van tassen. Meer specifiek wordt vanuit het Britse telefoonnummer bericht over tassen die men wil kunnen verstoppen zodat ze niet zichtbaar zijn. Verdachte bericht dat hij iemand stuurt met tassen naar ‘dezelfde plaats als gebruikelijk’. Uit de tachograaf van de door [betrokkene 1] bestuurde vrachtwagen blijkt dat deze op 8/9 april 2014 gedurende de avond en nacht in Familleureux (België) is geweest. Deze Belgische plaats wordt ook als ontmoetingsplaats voorgesteld in sms-verkeer gevoerd op 25 februari 2014 tussen een (ander) telefoonnummer van verdachte en een (ander) Brits telefoonnummer. [betrokkene 1] blijkt ook op 25 februari 2014 de oversteek van Calais naar Dover te hebben gemaakt en een dag later vice versa).

De rechtbank komt op grond van deze feiten en omstandigheden tot het oordeel dat de

op 9 april 2014 bij [betrokkene 1] aangetroffen MDMA en amfetamine door verdachte is geleverd. Verdachte heeft derhalve in nauwe en bewuste samenwerking met [betrokkene 1] MDMA en amfetamine naar het Verenigd Koninkrijk uitgevoerd.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van dit transport, omdat in de tenlastelegging is verzuimd België als pleegplaats op te nemen, terwijl de illegale lading mogelijk eerst in België is ingeladen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank acht vast staan dat de voor het Verenigd Koninkrijk bestemde drugs in Nederland zijn ingeladen, vanuit Nederland naar Familleureux (België) zijn gereden en aldaar zijn overgeladen in de vrachtwagen van [betrokkene 1] met als eindbestemming Engeland. Deze gang van zaken valt onder de extensieve interpretatie en dus binnen de reikwijdte van het begrip ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’ van drugs zoals neergelegd in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet.

III.5 drugstransport 17 maart 2014 (chauffeur [betrokkene 1] )

Bezien in onderlinge samenhang en (tijds)verband met de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank bewezen acht dat verdachte op 8/9 april 2014 strafbaar betrokken is bij een drugstransport naar het Verenigd Koninkrijk, acht de rechtbank op grond van het

navolgende bewezen dat ook op 17 maart 2014 een transport van harddrugs naar het

Verenigd Koninkrijk heeft plaatsgevonden waarbij hij diezelfde betrokkenheid heeft.

*In de periode van 11 tot en met 17 maart 2014 heeft verdachte veelvuldig sms-contact met

de gebruiker van een Brits telefoonnummer. Op grond van de resultaten van onderzoek dat

is verricht door de Britse autoriteiten stelt de rechtbank vast dat eerder genoemde [betrokkene 1] toen

de gebruiker van dat telefoonnummer was.

*In de aanloop naar 17 maart 2014 vindt sms-verkeer tussen verdachte en [betrokkene 1] plaats dat gaat over de levering van “4 big clothes” en “2 small clothes”. Voorts blijkt eruit dat, hoewel [betrokkene 1] meerdere malen het Kanaal oversteekt, hij óf geen ruimte heeft voor de lading óf dat de lading verzegeld is en niet verbroken kan worden. Deze berichten hebben er alle schijn van dat hetgeen verdachte aan [betrokkene 1] wil overdragen illegale goederen zijn.

*De aanstaande ontmoeting en levering waar in de aanloop naar 17 maart 2014 over wordt

ge-sms’t, vindt blijkens het sms verkeer uiteindelijk plaats op 17 maart 2014. [betrokkene 1] reist op

17 maart 2014 van Dover naar Calais. Er wordt afgesproken op de “normal place” om

De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Verbonden uitspraken