Rb. Oost-Brabant 14 november 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:6253

WOZ. Vier winkelpanden in Vught. Verweerder gaat bij de berekening van de huurwaarden allereerst uit van de casco-huurprijzen die zijn gerealiseerd rond de waardepeildatum. Verweerder maakt inzichtelijk dat deze casco-huurprijzen, vermeerderd dienen te worden met de gebruikelijke investeringen in een casco-object. Verweerder verzuimt echter er rekening mee te houden dat het vloeroppervlak van één ‘van de winkelpanden beduidend groter is. De huurwaarde van dat pand is wel te hoog bepaald. Verweerder slaagt er ook niet in de voor deze vier winkels gehanteerde kapitalisatiefactor aannemelijk te maken. Verweerder hanteert slechts één verkooptransactie, maar dat winkelpand is in verhuurde staat verkocht. Verweerder maakt ook niet inzichtelijk op welke wijze bij de bepaling van de kapitalisatiefactor, overeenkomstig het arrest van de HR van 25 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:982) rekening is gehouden met de waarderingsficties van artikel 17, tweede lid, Wet WOZ. Verweerder maakt evenmin de kapitalisatiefactor aannemelijk door middel van de bottom-up methode. Ter zitting is onder andere gebleken dat verweerders taxateur het leegstandsrisico heeft bepaald door op de dag van de taxatie het aantal leegstaande winkelpanden te tellen. Voor zover heeft verwezen naar vraaghuur- en vraagtransactieprijzen kunnen die niet gebruikt worden ter onderbouwing van de kapitalisatiefactor of de WOZ-waarde. Omdat eiseres, een BV, geen afzonderlijke een waarde voor de winkels heeft bepleit, stelt de rechtbank de waarden van de vier winkels in goede justitie vast.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken