Rb. Oost-Brabant 11 februari 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:533
Veroordeling voor het medeplegen van strafbare voorbereidingshandelingen gericht op de productie van synthetische drugs en het voorhanden hebben van een jammer. Nu ten tijde van de aan verdachte onder feit 1 primair en subsidiair verweten gedragingen de kwalificatie van “geregistreerde stof” in de zin van voormelde Verordeningen niet gold voor een stof als apaan, die niet voorkwam in de lijst van geregistreerde stoffen in de zin van artikel 2, onder a, van de Verordeningen 273/2004 en 111/2005, die in de relevante bijlage bij elk van die Verordeningen is opgenomen, is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte zal van deze feiten worden vrijgesproken. Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van voorarrest.
De uitspraak op rechtspraak.nl