Rb. Oost-Brabant 14 maart 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:1142

Vordering strekt tot herziening van het besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Son en Breugel op grond van artikel 24 lid 1 van de Wet raadgevend referendum om drie stembureaus in te stellen in plaats van de bij verkiezingen gebruikelijke tien stembureaus. De civiele voorzieningenrechter acht eisers ontvankelijk in hun vordering (vgl. voor een oordeel van de bestuursrechter omtrent de ontvankelijkheid ECLI:NL:RBOVE:2016:770 en ECLI:NL:RBOVE:2016:772). De vordering van de mede als eiseres optredende stichting valt binnen haar statutaire doelomschrijving en zij heeft een relevant belang. In artikel 24 lid 1 Wet raadgevend referendum ligt voor de gemeente de ongeschreven verplichting besloten om het referendum op een zorgvuldige wijze te organiseren. Dat houdt in dit geval in op een wijze die binnen het redelijke aansluit bij die waarop verkiezingen in Son en Breugel en andere gemeenten tot dusverre plegen te worden georganiseerd. De gemeente handelt in strijd met die ongeschreven zorgvuldigheidsnorm door zonder afdoende redenen het aantal stembureaus zo drastisch te verlagen. Dat is onrechtmatig. Het is de taak van de rechter om aan onrechtmatig handelen van burgemeesters en wethouders desgevorderd een einde te maken als de gemeenteraad niet ingrijpt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken