Rb. Oost-Brabant 26 november 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:7468
Rangregelingsprocedure. Ingevolge het bepaalde in artikel 481, eerste lid, Rv. kan de meest gerede partij het verzoek tot benoeming van een rechter-commissaris verzoeken. De voorzieningenrechter mag onderzoeken of verzoekster als meest gerede partij valt aan te merken. Daarvoor is het op zijn minst nodig dat de vordering van verzoekster voldoende aannemelijk is, zodat zij als belanghebbende in de zin van artikel 481, tweede lid, Rv. kan gelden. Anders dan verzoekster heeft gemeend, acht de voorzieningenrechter zich gehouden, zeker nu het verweer van de curatoren en een van de andere belanghebbenden daartoe aanleiding geeft, om te onderzoeken of de rechtspositie van verzoekster ten aanzien van het onder de gerechtsdeurwaarder berustende depotbedrag zo sterk is, dat deze positie verzoekster als belanghebbende en meest gerede partij legitimeert om een rangregeling te laten openen. Niet valt in te zien dat onderzoek naar het vorderingsrecht van de verzoeker uitsluitend aan een door de voorzieningenrechter te benoemen rechter-commissaris is voorbehouden.
De uitspraak op rechtspraak.nl