Rb. Oost-Brabant 22 december 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:7376
Verhouding tussen tegemoetkoming in de schade op grond van de Wet ruimtelijke ordening en die op grond van de Waterwet. Doel van de voorrangsregeling in artikel 7.16 van de Water wet is, volgens de wetgever, om ook de door de uitoefening van taken of bevoegdheden in het kader van het waterbeheer veroorzaakte planologische schade onder de werking van de Waterwet af te handelen. Uit de wetsgeschiedenis en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3861, 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1730 en 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:530 leidt de rechtbank af dat er zich situaties kunnen voordoen waarin de aanwijzing van een waterbergingsgebied voor vergoeding op grond van de Waterwet in aanmerking komt en dat die schadevergoeding mede een vergoeding betreft van eventuele nadelige planologische gevolgen van die aanwijzing. Hiervan is met name sprake, wanneer zowel een aanwijzing in het planologische spoor als een aanwijzing in het waterspoor - door opname op de legger - heeft plaatsgevonden. In dat geval biedt artikel 7.16 van de Waterwet een voorrangsregeling. Er kunnen zich situaties voordoen dat een aanwijzing in het ruimtelijke spoor heeft plaatsgevonden, maar een aanwijzing in het waterspoor (nog) achterwege is gebleven. In dat geval is er mogelijk al schade opgetreden. Bij het ontbreken van een aanwijzing van de waterberging op de legger is echter (nog) geen sprake van een situatie waarin een belanghebbende met betrekking tot die schade een beroep kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid. In een dergelijk geval biedt afdeling 6.1 van de Wro de grondslag voor een verzoek om een tegemoetkoming in de schade.
De uitspraak op rechtspraak.nl