Rb. Oost-Brabant 28 oktober 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:6279

Uit de enkele omstandigheid dat verdachte een forse snelheidsovertreding heeft begaan volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte zich zeer, althans aanmerkelijk onoplettend en/of onvoorzichtig heeft gedragen in het verkeer, zodat geen sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW. Daarom spreekt de rechtbank verdachte vrij van het primair ten laste gelegde (dood door schuld in het verkeer). De rechtbank veroordeelt verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde (gevaarzetting in het verkeer) tot een taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen