Rb. Oost-Brabant 13 maart 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:1272
Wmo. Huishoudelijke verzorging. Indiceren in aandachtsgebieden. PGB. De rechtbank is van oordeel dat door het indiceren in aandachtsgebieden voor zwaar huishoudelijk werk, licht huishoudelijk werk, de was doen en strijken en de organisatie van het huishouden, mede gelet op de omschrijving van de aandachtsgebieden in de artikelen 10 en 13 van de Verordening, in zijn algemeenheid voldoende bepaalbaar en concreet is wat de inhoud van de aan de aanvrager toegekende indicatie is. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat het uitgangspunt is dat de indicatie in aandachtsgebieden vervolgens in een specifiek plan wordt uitgewerkt waarbij dan in het individuele geval in samenspraak met de aanvrager wordt nagegaan wat nodig is om te komen tot een voldoende compensatie. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder gehanteerde werkwijze mbt tot het PGB er toe leidt dat betrokkene met het aan haar toegekende PGB alleen dan voldoende wordt gecompenseerd als zij gebruik maakt van de door verweerder geselecteerde zorgaanbieders. Nog daargelaten dat het verschil tussen kiezen voor Zin en PGB in dat geval vrijwel op hetzelfde neerkomt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder met deze werkwijze feitelijk de keuzevrijheid om het PGB, binnen de daarvoor geldende regels, naar eigen inzicht te besteden, op een onaanvaardbare wijze inperkt.
De uitspraak op rechtspraak.nl