Rb. Oost-Brabant 25 februari 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:875
Kop: WVW 1994, ongeldigverklaring rijbewijs, rijvaardigheidsonderzoek, afstandsverklaring, herroepen. Samenvatting: Verweerder past de regel toe dat de rijvaardigheidsadviseur het rijvaardigheidsonderzoek (in dit geval de rijproef voor de categorie B) niet afneemt alvorens de betrokkene afstand doet van het rijbewijs van de hogere categorie (in dit geval het rijbewijs voor de categorie E bij B) en dat, indien de betrokkene geen afstandsverklaring wil tekenen, verweerder concludeert dat de betrokkene niet meewerkt aan dat onderzoek. Ter zitting van de rechtbank heeft verweerder verklaard deze regel toe te passen omdat de betrokkene met de afstandsverklaring vanaf dat moment al geen gebruik meer kan maken van het rijbewijs van de betreffende categorie, terwijl, indien verweerder die regel niet zou toepassen, het een behoorlijke tijd kan duren voordat verweerder een besluit neemt over de geldigheid (van de laagste categorie) van het rijbewijs en de betrokkene al die tijd ook mag blijven deelnemen aan het verkeer met het rijbewijs voor de hogere categorie. De rechtbank stelt vast dat deze regel niet voortvloeit uit de WVW 1994, noch uit daarop gebaseerde regelgeving (het Reglement dan wel de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011). Ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde van verweerder verklaard ook niet te weten of deze regel is neergelegd in een (bekendgemaakte) beleidsregel, terwijl ter zitting bovendien duidelijk is geworden dat eiseres voorafgaand aan het rijvaardigheidsonderzoek niet van deze regel en de verstrekkende gevolgen ervan op de hoogte is gesteld. Bij deze stand van zaken mocht verweerder niet van eiseres verlangen afstand te doen van haar rijbewijs voor de categorie E bij B, zodat verweerder op 8 april 2013 de rijproef voor de categorie B ten onrechte niet heeft afgenomen bij eiseres.
De uitspraak op rechtspraak.nl