Rb. Oost-Brabant 30 december 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:8233

artikel 6.21 van de Waterwet In een einduitspraak (vervolg op de tussenuitspraak van 16 mei 2014 (ECLI:NL:RBOBR:2014:2528) oordeelt de rechtbank dat verweerder niet is geslaagd om de gebrekkige besluitvorming te herstellen en de uitgangssituatie voldoende duidelijk in kaart te brengen. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een significant effect als gevolg van de vergunde maatregelen moet worden gekeken naar de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan de GHG voorafgaand aan het treffen van maatregelen, de ligging van het perceel, de op het perceel geteelde gewassen en de kwetsbaarheid van de teelt op de percelen voor een stijging van de GHG en de effecten van in het verleden getroffen maatregelen. Verweerder heeft de omstandigheden van het geval onvoldoende betrokken bij de beoordeling. Daarnaast kan de onzekerheid als gevolg van de onduidelijke uitgangssituatie niet voor risico van eisers komen. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Als verweerder volstaat met de huidige onderbouwing van de besluitvorming, zal hij een natschaderegeling aan het primaire besluit moeten verbinden. De rechtbank zal hiertoe bepalen dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak, mede om partijen in de gelegenheid te stellen over de precieze inhoud van de natschaderegeling te overleggen dan wel in overleg te gaan over eventuele compenserende maatregelen op de percelen van eisers.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen