Rb. Oost-Brabant 17 december 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:8101

Erfrecht. Geschil tusssen broer en zus over de wijze van verdeling van de nalatenschap van moeder. De rechtbank zal de wijze van verdeling van de woning gelasten aldus dat partijen de reeds gegeven opdracht aan de makelaar dienen te handhaven; en dat voor het geval partijen niet alsnog in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren vraagprijs en laatprijs voor de onroerende zaak de makelaar bindend de vraagprijs en laatprijs zal vaststellen, alsmede een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop vervolgens uitblijft, en dat partijen de aldus door de makelaar vastgestelde vraag- en laatprijs dienen te hanteren bij de verkoop van de onroerende zaak aan een derde. Verder zal de zus worden opgedragen te bewijzen dat moeder in april 2011 de schuld uit geldlening aan haar heeft kwijtgescholden. De rechtbank ziet aanleiding op grond van artikel 3:179 lid 1 BW te bepalen dat gewichtige redenen bestaan voor een partiële verdeling van de nalatenschap. Bij een eventuele verkoop van de woning, kunnen partijen de verkoopopbrengst (en de overige goederen van de nalatenschap) in beginsel verdelen, waarbij de rechtbank bepaalt dat een deel van de verkoopopbrengst van de woning bij de notaris in depot dient te blijven totdat onherroepelijk is beslist of al dan niet de schuld van de zus uit geldlening door moeder is kwijtgescholden. Uitgangspunt van artikel 4:228 lid 1 BW is immers ook dat op verlangen van de ene erfgenaam (de broer), de schulden van de andere erfgenaam (de zus) die deze aan de erflater schuldig is gebleven, op diens aandeel dienen te worden toegerekend bij de verdeling.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen