Rb. Oost-Brabant 24 februari 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:803

Eiser heeft op 2 maart 2012 een Wob-verzoek ingediend. Onweersproken is dat verweerder op 11 mei 2012 op dat verzoek heeft beslist. Eerst daarna heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. Voor zover eiser in beroep heeft verzocht om de hoogte te bepalen van enige door verweerder verbeurde dwangsom ingevolge de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (de Wet dwangsom), moet dit beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. In dat kader ligt de vraag ter beantwoording voor, of sprake is van misbruik van (proces)recht zijdens eiser. De rechtbank is van oordeel dat eiser misbruik heeft gemaakt van de hem bij wet toegekende bevoegdheid om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel aan te wenden, althans de rechtsgang daarmee nodeloos belast. Het door hem ingestelde beroep wegens niet tijdig beslissen op zijn wob-verzoek was immers evident kansloos, nu eiser in redelijkheid geen positief resultaat van dat rechtsmiddel kon en mocht verwachten. Eiser was immers ten tijde van het instellen van het beroep bekend met het feit dat er een besluit was genomen op zijn verzoek en, naar eigen zeggen, met het feit dat geen beroep ingevolge de Wet dwangsom openstaat tegen een ambtshalve te nemen dwangsombeslissing. De rechtbank is in zoverre van oordeel dat dit misbruik dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid het beroep. Ook waar eiser de rechtbank heeft aangezocht om vast te laten stellen dat sprake is van een fictieve weigering om de hoogte van een – in zijn ogen – verbeurde dwangsom vast te stellen, moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Eiser heeft op 2 maart 2012 meerdere Wob-verzoeken ingediend, die bovendien betrekking hebben op hetzelfde CJIB-nummer. De door eiser verstuurde ingebrekestelling maakt onvoldoende duidelijk op welk te nemen besluit zij betrekking heeft en voldoet dan ook niet aan de eisen die daaraan, zeker gezien de status van eiser als ‘repeatplayer’, mogen worden gesteld. Niet voldaan is aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, onder a én b, van de Awb, nu uit de processtukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het bestuursorgaan weliswaar niet tijdig, maar wel op tijd, een besluit op eisers Wob-verzoek van 2 maart 2012 heeft genomen. Er is geen dwangsom ingevolge de Wet dwangsom verschuldigd en eiser had dat kunnen en moeten weten. Ook daarom moet het beroep van eiser niet-ontvankelijk worden verklaard. Nu gelet op het voorgaande (ook) ambtshalve geen dwangsom hoefde te worden vastgesteld, kan er geen sprake zijn van een fictieve weigering om te beslissen, zoals eiser heeft bepleit. Daarom zal de rechtbank verweerder niet opdragen een dergelijk -nodeloos- besluit te nemen, zodat daaraan ook geen dwangsom hoeft te worden verbonden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken