Rb. Oost-Brabant 17 december 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:7547

Reprisevordering van de man op de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. De man heeft in beginsel een rechtstreekse vordering jegens de vrouw voor de helft van zijn vordering op de gemeenschap (€ 173.257,50). Vooralsnog is de man namens de gemeenschap nog in twee rechtszaken verwikkeld tegen respectievelijk de aannemer en diens echtgenote. Zolang in deze rechtszaken geen onherroepelijke uitspraak is gedaan, dan wel deze anderszins zijn beëindigd, behoort tot de gemeenschap tevens een vordering uit hoofde van onverschuldigd betaalde facturen en uit schadevergoeding, waarvan de uiteindelijke opbrengst nog onzeker is. Indien de man (in het meest gunstige geval) erin slaagt om deze vorderingen geheel te verhalen op de aannemer en diens echtgenote, dan valt daarmee alsnog een bedrag van € 79.902,55 in de gemeenschap. In dat (meest gunstige) geval kan de man zich voor zijn vordering op de gemeenschap tevens verhalen op de aan de vrouw toekomende helft van die opbrengst, zijnde € 39.951,28. De rechtbank acht het redelijk om – vooralsnog – laatstgenoemd bedrag in mindering te brengen op het bedrag waarvoor de man zich op het privévermogen van de vrouw kan verhalen. Op dit moment kan immers niet worden uitgesloten dat de (in zoverre nog niet volledig verdeelde) gemeenschap nog voor dit bedrag van € 39.951,28 verhaal zal bieden voor de reprisevordering van de man.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen