Rb. Oost-Brabant 21 november 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:7188

De stellingen van verzoeker in zijn zienswijze, in zijn verzoekschrift waarbij beroep is ingesteld tegen het ruilplan en bij de behandeling van zijn verzoekschrift door de enkelvoudige kamer van de rechtbank, waren gericht op het behouden dan wel verkrijgen van een erfdienstbaarheid van weg. Op grondslag van die stellingen heeft de enkelvoudige kamer van de rechtbank het verzoekschrift behandeld. Daarna is de behandeling aangehouden om verzoeker in de gelegenheid te stellen overleg te plegen met belanghebbenden over een alternatieve ontsluiting en ter finale behandeling verwezen naar de meervoudige kamer. Bij die behandeling heeft verzoeker zijn standpunt dat hij aanspraak kan maken op een erfdienstbaarheid van weg laten varen en in plaats daarvan gesteld dat sprake is van een buurweg. De rechtbank oordeelt dat niet staande gehouden kan worden dat verweerder met het bestaan van een buurweg rekening had moeten houden bij het opstellen van het ruilplan. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat noch in de zienswijze, noch in het verzoekschrift het standpunt is ingenomen dat een buurweg is ingebracht en ook bij de behandeling door de enkelvoudige kamer geen beroep is gedaan op het bestaan van een buurweg. Daarbij is niet doorslaggevend dat de term “buurweg” niet is gehanteerd, maar dat geen feiten zijn gesteld die de conclusie kunnen dragen dat verweerder de aanspraak van verzoeker op een ontsluiting aan de zuidzijde van zij huiskavel had moeten begrijpen als een aanspraak op het voortgezette gebruik van een bestaande buurweg. Zijdens verzoeker zijn immers geen feiten naar voren gebracht waaruit zou kunnen volgen dat verzoeker feitelijke macht over het (desbetreffende deel van het) pad heeft uitgeoefend die past bij het gebruik van dat pad als buurweg.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen