Rb. Oost-Brabant 30 september 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:5614

Betreft door gedeputeerde staten opgelegde lasten onder dwangsom wegens overtreding van voorschriften verbonden aan omgevingsvergunning voor lozingen van bedrijfsafvalwater. De rechtbank laat achterwege in hoeverre verweerder na het vervallen van artikel 6.7, derde lid, van het Bor per 1 januari 2014 nog bevoegd was een invorderingsbeschikking te nemen. De rechtbank overweegt dat inrichtingen in categorie 25 ingevolge artikel 28.3 onder g, van bijlage I, onderdeel C bij het Bor buiten beschouwing blijven en daarom niet behoren tot categorie 28.1, van bijlage I, onderdeel C, bij het Bor. Nu de inrichting niet tot categorie 28.1 van bijlage I, onderdeel C, bij het Bor behoort, is onderdeel 28.4 evenmin van toepassing. Dit ziet slechts op inrichtingen in categorie 28.1 van bijlage I, onderdeel C, bij het Bor. De rechtbank beschouwt het maximaal 12 keer per jaar affakkelen van restproducten niet als een afzonderlijk onderdeel van de inrichting maar als een incidentele activiteit die inherent is aan de hoofdactiviteiten van de inrichting. Verweerder was niet bevoegd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen