Rb. Oost-Brabant 14 juli 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4093
Deelgeschil letselschadezaak. Tijdens een galblaasoperatie wordt bij verzoekster een medische fout gemaakt, als gevolg waarvan zij thans nog een aantal medische klachten/beperkingen ondervindt. Onderwerp van het deelgeschil is de omvang van de vergoeding voor immateriële schade. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad vooreerst rekening moet houden met alle omstandigheden van het geval. Tevens dient de rechter te letten op bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. In deze verwijzing leest de rechtbank een – legitieme – wens van de Hoge Raad om een gelijkmatige en voor gelijke gevallen gelijke ontwikkeling van het smartengeld te bewerkstelligen. Het noopt de rechtbank daarentegen niet tot het strikt vasthouden aan eertijds toegekende bedragen en het verhindert niet tot een (geleidelijke) verhoging van smartengeldbedragen te komen. In dat kader wijst de rechtbank op de compenserende functie van smartengeld en dat voor het behoud van die functie bij de smartengeldbegroting acht moet worden geslagen op de maatschappelijke constellatie waarin een en ander plaatsvindt. De rechtbank wijst daarbij op de discussie in de juridische wetenschap en (letselschade-) praktijk, waarin wordt gewezen op maatschappelijke ontwikkelingen die een verhoging van de toe te kennen smartengeldbedragen rechtvaardigen. Alles overziende en onder uitdrukkelijke verwijzing naar de uitgebreide uiteenzetting door verzoekster van de gevolgen van de medische fout binnen tal van aspecten van haar leven, komt de rechtbank op een smartengeldvergoeding van € 20.000,-. Bij de begroting van de kosten van het deelgeschil acht de rechtbank een uurtarief van € 295,-/€ 300,- bovenmatig. Een dergelijk tarief wordt, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aan een particulier in rekening gebracht. De rechtbank matigt het uurtarief tot € 225,- per uur.
De uitspraak op rechtspraak.nl