Rb. Oost-Brabant 1 mei 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:2343
Wob, bestuurlijke lus, hoorplicht, artikel 9:36, vijfde lid, Awb, rapport nationale ombudsman, geen derogende werking. Er geen verplichting voor verweerder om eiser op zijn verzoek telefonisch te horen. Bij de totstandkoming van de bepalingen over de hoorplicht is de wetgever er juist van uitgegaan dat partijen tijdens een (fysieke) hoorzitting worden gehoord. Dat betekent niet dat telefonisch horen is uitgesloten. Het horen (fysiek of telefonisch) dient echter altijd op een zorgvuldige wijze te geschieden. Verweerder heeft voldoende onderbouwd dat telefonisch horen in zaken als deze niet met voldoende waarborgen is omkleed. Die waarborgen dienen niet alleen ter bescherming van eiser, maar ook ter bescherming van derden van wie privacygevoelige gegevens aan de orde kunnen zijn. Het verzoek tot telefonisch horen kon in redelijkheid worden afgewezen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die tot afwijking van de gebruikelijke werkwijze van verweerder hadden moeten leiden. Artikel 9:36, vijfde lid, van de Awb heeft betrekking op het rapport met de bevindingen en het oordeel van de ombudsman. Uit genoemd artikel kan niet worden afgeleid dat ermee is beoogd openbaarmaking te voorkomen van onderliggende stukken die zich bij een ander bestuursorgaan bevinden. Dit valt evenmin af te leiden uit de strekking of uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 9:36, vijfde lid, van de Awb. Verweerder heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de openbaarmakingsregeling in artikel 9:36, vijfde lid, van de Awb derogeert aan de Wob.
De uitspraak op rechtspraak.nl