Rb. Oost-Brabant 23 april 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:2124
De zaak betreft de omgevingsvergunning voor het windturbinepark Nieuw Prinsenland. Drie eisers hebben geen zienswijzen ingediend. Hun beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. GS hoeven de verlening van de benodigde vergunning niet te coördineren met de vergunning voor twee andere nabijgelegen windturbineparken. De rechtbank is van oordeel dat de vergunning niet in strijd is met het inpassingsplan. De vergunning bevat voldoende voorschriften ter voorkoming van hinder vanwege laagfrequent geluid en slagschaduw. Gelet op de afstand tussen de windturbine en de meest dichtstbijzijnde woning van meer dan 800 meter kan niet kan worden aangenomen dat de gevreesde effecten van de windturbines voor vleermuizen de kwaliteit van de directe leefomgeving van eisers zullen aantasten. De betreffende norm van de Flora en faunawet strekt kennelijk niet tot bescherming van de belangen van eisers. Het beroep van de resterende eisers wordt ongegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl