Rb. Oost-Brabant 30 mei 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:CA1608
Bevoegdheid voorzieningenrechter. Hardheidsclausule Provinciale milieuverordening. Art. 3.1 en 20.1 Wm Bij brief van 23 april 2013 heeft verweerder (GS) aangegeven dat hij artikel 10.11 van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010 (Pmv) van toepassing verklaart op enkele verbodsbepalingen in de Pmv, op verzoek van de gemeente Maasdonk met het oog op de vaststelling van een bestemmingsplan. In artikel 10.11 van de Pmv is bepaald dat door verweerder in individuele gevallen bepalingen vastgesteld bij of krachtens deze verordening buiten toepassing kunnen worden gelaten of daarvan kan worden afgeweken voor zover toepassing gelet op het belang van de bescherming van het milieu zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Deze bevoegdheid is géén bevoegdheid tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 1.3 van de Wm, ook geen verkapte bevoegdheid. Een dergelijke uitleg strookt niet met de tekst van de Pmv, waar uitputtend is aangegeven in welke gevallen (dat wil zegen van welke specifiek genoemde verbodsbepalingen) ontheffing kan worden verleend en onder welke voorwaarden. De tekst van de Pmv geeft geen aanleiding voor het oordeel dat Provinciale Staten van Noord-Brabant daarnaast aan verweerder een algemene ontheffingsbevoegdheid in niet nader benoemde gevallen zouden hebben willen toedelen. Dit zou afbreuk doen aan de uitputtende regeling in de Pmv. De beslissing over het gebruik van de in artikel 10.11 van de Pmv gegeven bevoegdheid is niet aan te merken als een besluit ingevolge artikel 1.3 van de Wm. Daarom moeten eventuele rechtsmiddelen tegen deze beslissing op basis van de hoofdregel in artikel 20.1 van de Wm, worden aangewend bij de (voorzitter van de) ABRS en is de voorzieningenrechter niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening.
De uitspraak op rechtspraak.nl