Rb. Oost-Brabant 9 april 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ6635
Art.16, lid 2 van de ASV bepaalt dat de beloning van medewerkers van een gesubsidieerde instelling, inclusief directie en externe inhuur, per kalenderjaar ten hoogste het Wopt (Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens)-normbedrag, zoals bedoeld in art. 6 van de Wopt bedraagt. Bij overschrijding van deze norm wordt het in de verleningsbeschikking genoemde bedrag bij de subsidievaststelling verminderd. Art. 16, lid 2 van de ASV betreft geen doelgebonden verplichting in de zin van art. 4:38 van de Awb. In de toelichting op deze bepaling is opgenomen dat de gemeente wil voorkomen dat binnen door de gemeente gesubsidieerde instellingen topinkomens worden betaald. Gelet hierop volgt de Rb. verweerder niet in de stelling dat deze bepaling is bedoeld om de doelmatige besteding van subsidiegelden te bevorderen. De Rb. voegt daaraan toe dat in de laatste volzin van art.16, lid 2 van de ASV een sanctie wordt gesteld op de overtreding van de Wopt-norm die verder gaat dan nodig is met het oog op een doelmatige besteding van subsidiegelden. Op grond van die volzin zou het subsidiebedrag immers niet alleen worden verminderd met het bedrag van de overschrijding van de Wopt-norm, maar zou dat bedrag worden verhoogd met een percentage van 50%. Nu het om een verplichting gaat die niet strekt tot verwezenlijking van het doel van de subsidie, moet de vraag worden beantwoord of is voldaan aan de eisen in art. 4:39 van de Awb. De Rb. beantwoordt deze vraag ontkennend. Aan verweerder moet worden toegegeven dat de gesubsidieerde activiteiten worden verricht met behulp van medewerkers van eiseres. De verplichting waar het hier om gaat heeft echter geen betrekking op medewerkers van eiseres, maar op de inkomens die worden uitbetaald aan medewerkers van eiseres. Deze verplichting kan daarom niet worden aangemerkt als een verplichting die slechts betrekking heeft op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht. Hieruit volgt dat de opgelegde verplichting in strijd is met art.4:39 van de Awb.
De uitspraak op rechtspraak.nl