Rb. Oost-Brabant 28 februari 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ2770
Opleggen boete aan rechtspersonen gezamenlijk over 2007 en 2008 van € 450.000,00 en aan eiser E over 2007 en 2008 een boete van € 45.000,00 per jaar. Uit het wettelijk kader neergelegd in art. 1, lid 1, aanhef en onder e, 14, lid 1, Msw en art. 53 lid 1 Uitvoeringsbesluit Msw volgt dat de wetgever, naast een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een onderneming voert, uitdrukkelijk aanmerkt als ondernemer. Hieruit vloeit voort dat een samenwerkingsverband zelf geen natuurlijk persoon of rechtspersoon is, maar dus wel bestaat uit natuurlijke personen of rechtspersonen. Als ondernemer kan een samenwerkingsverband een intermediaire onderneming zijn, indien in het kader van dat samenwerkingsverband dierlijke meststoffen worden verhandeld. Is daarvan sprake dan dient dat samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen en dus de rechtspersonen die dit samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen vormen, gezamenlijk te voldoen aan de in art. 14 van de Msw neergelegde verantwoordingsplicht. De Msw noch het Uitvoeringsbesluit definiëren het begrip samenwerkingsverband; verweerder heeft terecht aansluiting gezocht bij hetgeen onder dat begrip naar normaal spraakgebruik moet worden verstaan en daarbij gewezen op de omschrijving daarvan in Van Dale Groot woordenboek hedendaags Nederlands als ‘het geheel van onderlinge afspraken met betrekking tot samenwerking tussen personen en/of instanties’. Gezien de weergegeven feiten en omstandigheden heeft verweerder een samenwerkingsverband van rechtspersonen kunnen aannemen. Verweerder heeft voorts terecht gesteld dat het samenwerkingsverband van rechtspersonen in 2007 en 2008 meststoffen heeft verhandeld. Aangezien de betreffende rechtspersonen als samenwerkingsverband van rechtspersonen meststoffen verhandelden, heeft verweerder het samenwerkingsverband van rechtspersonen terecht aangemerkt als intermediaire onderneming. Dit betekent dat het samenwerkingsverband van rechtspersonen en dus de rechtspersonen die dit samenwerkingsverband van rechtspersonen vormen gezamenlijk moeten voldoen aan de in art. 14, lid 1 van de Msw neergelegde verantwoordingsplicht. Verweerder heeft voor de jaren 2007 en 2008 aan de rechtspersonen gezamenlijk een boete opgelegd van € 450.000,00. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat als één van de rechtspersonen betaalt, de andere rechtspersonen zijn gekweten. Verweerder heeft voor deze wijze van oplegging van de bestuurlijke boete gekozen, omdat een aantal rechtspersonen geen verhaal biedt. De Rb. stelt vast dat de Msw (en ook de Awb) de door verweerder gekozen wijze van oplegging van een bestuurlijke boete niet kent. Om die reden heeft verweerder de rechtspersonen voor de jaren 2007 en 2008 ten onrechte gezamenlijk een boete opgelegd van € 450.000,00. De Rb. is evenwel van oordeel dat de rechtspersonen als medeplegers in de zin van art. 50, lid 1, aanhef en onder b, van de Msw van overtreding van art. 14 van de Msw moeten worden aangemerkt, omdat zij als rechtspersonen die het samenwerkingsverband vormen gezamenlijk art. 14 van de Msw hebben overtreden. Hierbij is van belang dat, gezien de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en hetgeen de Rb. over het samenwerkingsverband van rechtspersonen heeft overwogen, tussen die rechtspersonen sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking en ieders aandeel in de overtreding van art. 14 van de Msw min of meer gelijkwaardig is (vergelijk de aangehaalde uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 22 december 2009, r.o. 5.3.2, LJN: BL0770). Rb. voorziet zelf: legt aan rechtspersonen die samenwerkingsverband vormen wegens overtreding van art. 14 Msw afzonderlijk een bestuurlijke boete op.
De uitspraak op rechtspraak.nl