Rb. Oost-Brabant 4 september 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:5040

Kredietverzekering. Geschil over dekking onder de polis. Vast dat voor alle leveringen en daaruit ontstane vorderingen (waarvoor ABN Amro in dit geding dekking verlangt) geldt dat Trading Rijen aan Weyl B.V. (gevestigd in Nederland) heeft gefactureerd en aan Weyl GmbH (gevestigd in Duitsland) heeft geleverd. Op grond van de polis geldt als primaire dekkingsomschrijving, kort gezegd, dat “een vordering (…) verzekerd [is] indien (…) aan de(…) voorwaarde is voldaan (…) dat de goederen (…) zijn geleverd (…) en gefactureerd aan het land waarin de debiteur is gevestigd (art. 2.1 sub a), waarbij uitgesloten van dekking zijn ”vorderingen die niet voldoen aan de voorwaarden omschreven in artikel 2.1” (art. 2.4 sub g). De rechtbank volgt niet het betoog van ABN Amro dat het beroep van Euler op deze bepalingen reeds moet worden verworpen omdat daarin staat dat Trading Rijen zou moeten leveren en factureren aan de Nederlandse staat. De omstandigheid dat deze door ABN Amro voorgestane uitleg van artikel 2.1 sub a en 2.4 sub g van de polis (in de eigen woorden van ABN Amro) “volkomen onbegrijpelijk en onlogisch” is (dagvaarding, sub 87), is op zichzelf reeds afdoende reden om deze uitleg niet te volgen. De rechtbank acht voornoemde polisbepalingen in zoverre duidelijk dat Euler kennelijk alleen bereid is dekking te verlenen voor onbetaald gebleven vorderingen indien zowel leveringen als factureringen plaatsvinden in het land waarin de debiteur (waarvoor de kredietlimiet is afgegeven) ook is gevestigd. Uitgangspunt is dat het een verzekeraar vrijstaat om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen. Indien een verzekeraar in de primaire omschrijving van de dekking bepaalde evenementen heeft uitgesloten, kan een beroep op de primaire dekkingsomschrijving niet met succes worden afgeweerd met de stelling dat een beroep van de verzekeraar daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is met als argument dat de redenen waarom de verzekeraar dit soort evenementen niet wil verzekeren zich in het concrete geval niet voordoen. Met de dekkingsomschrijving heeft de verzekeraar immers de grenzen omschreven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen, hetgeen hem vrijstaat. Dat brengt ook de vrijheid mee om daarbij - op een wijze die voor de verzekeringnemer op grond van voormelde objectieve factoren voldoende duidelijk kenbaar is - binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten of omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en aan andere niet, dan wel onderscheid te maken tussen gevallen die feitelijk zeer dicht bij elkaar liggen (HR 9 juni 2006, LJN AV9435, NJ 2006, 326, rov. 3.4.2 en voornoemd arrest van 16 mei 2008, rov. 3.4.2, tweede alinea). Dit betekent voor het onderhavige geval dat het Euler vrijstaat om in de polisvoorwaardeb te bepalen dat uitsluitend dekking wordt verleend indien zowel leveringen als factureringen plaatsvinden in het land waarin de debiteur ook is gevestigd. Het verweer van Euler dat op grond van artikel 2.1 aanhef en sub a en artikel 2.4 aanhef en sub g van de polisvoorwaarden geen dekking bestaat onder de polis, slaagt

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen