Rb. Oost-Brabant 3 juli 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:4193
Stukadoor (zzp-er) valt van steiger. Hij vordert schadevergoeding van zijn assurantietussenpersoon en van de hoofdaannemer. Na jarenlang procederen ontvangt hij schadevergoeding van (de verzekeraar van) zijn assurantietussenpersoon omdat hij door een fout van deze tussenpersoon niet onder de voorlopige dekking viel van de arbeidsongeschiktheidsverzekering die hij had willen afsluiten en dus geen recht had op uitkeringen. In onderhavige zaak tegen de hoofdaannemer oordeelt de rechtbank (onder 2.10 en verder) dat de ontvangen schadevergoeding, gelet op de aard en omvang ervan, niet buiten beschouwing kan blijven bij de vaststelling van de schade die de hoofdaannemer dient te vergoeden. De rechtbank houdt rekening met de kosten die de stukadoor heeft moeten maken om de schadevergoeding van de tussenpersoon te verkrijgen. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat partijen (stukadoor en hoofdaannemer) aanvankelijk voor gezamenlijke rekening en risico tegen de tussenpersoon hebben geprocedeerd, maar dat na een afwijzing in eerste aanleg de hoofdaannemer niet bereid was verder te procederen, waarna de stukadoor de procedure voor eigen rekening en risico heeft voortgezet. Met toepassing van art. 6:100 BW wordt door de rechtbank daarom slechts EUR 243.000,- (van in totaal: EUR 548.247,-) verrekend met de door de hoofdaannemer te vergoeden inkomensschade.
De uitspraak op rechtspraak.nl