Rb. Noord-Nederland 27 augustus 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:4530

Wahv. De officier van justitie heeft op verzoek van betrokkene een termijn van vier weken verleend voor het aanvullen van de gronden. De beslistermijn is daarom met vier weken opgeschort, daarom was de ingebrekestelling prematuur. Het antwoord op de vraag of vertraging door de IT-storing wel of niet aan overmacht is te wijten, maakt daarom voor deze kwestie niets uit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 272088310
zaaknummer: 12100880 BU VERZ 26-236
uitspraak van de kantonrechter van 27 augustus 2026
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats]
(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl).

Inleiding

1 Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘parkeren bij blauwe streep terwijl op parkeerschijf niet juiste tijdstip begin parkeren is weergegeven’, verricht op 4 februari 2025, om 14:05 uur, op [adres], met een bedrijfsauto, met kenteken [kenteken]. De opgelegde sanctie bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).

1.1 Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

1.2 De kantonrechter heeft het beroep op 14 augustus 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was aanwezig mr. P. Belopavlovic als vertegenwoordiger van de officier van justitie.

Beoordeling door de kantonrechter

Standpunten

2 Betrokkene voert aan dat hij niet parkeerde: hij stond met zijn bedrijfsauto te laden en lossen bij een klant. Daarom was hij ook bij het voertuig aanwezig toen de verbalisant de parkeerschijf controleerde. Uit de verklaring van de verbalisant valt niet af te leiden hoe die heeft vastgesteld dat sprake was van parkeren. In het aanvullend proces-verbaal geeft de verbalisant aan dat hij geen pardontijd heeft aangehouden. Daarnaast stelt betrokkene dat de officier van justitie een dwangsom heeft verbeurd. Die is op 14 oktober 2025 in gebreke gesteld. De officier van justitie stelt wel dat de beslistermijn is opgeschort vanwege een verzuim van betrokkene, maar dat verzuim is er niet geweest. Bovendien beroept hij zich ten onrechte op overmacht wegens een IT-storing bij de CVOM; die storing komt voor zijn risico.

3 De vertegenwoordiger stelt dat betrokkene niet heeft onderbouwd dat er sprake was van laden en lossen; verder heeft de officier van justitie geen dwangsom verbeurd: betrokkene heeft verzocht om een termijn om gronden in te dienen; die termijn is onbenut verstreken, dus de beslistermijn is met vier weken verlengd. De ingebrekestelling is van 13 oktober 2025 en die is, zonder rekening te houden met overmacht bij de officier van justitie, prematuur.

Overwegingen

Kan de gedraging worden vastgesteld?

4 Ja: de verbalisant verklaart dat betrokkene geparkeerd stond in een blauwe zone en gebruikmaakte van een parkeerschijf. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel. Als betrokkene niet parkeerde, waarom had hij dan wel een parkeerschijf achter de voorruit liggen? Bovendien heeft hij zelf tijdens de staandehouding verklaard: “Ik had de verkeerde tijd neergezet.” Hij heeft dus niet ontkend dat hij parkeerde. Pas in de kantonfase voert hij aan dat hij aan het laden en lossen was, maar hij licht niet toe wat hij dan precies aan het laden en lossen was en hoe lang dit ging duren. De verbalisant heeft inderdaad geen pardontijd gehanteerd, maar dat hoeft ook niet.

Heeft de officier van justitie een dwangsom verbeurd?

5 Neen. Gelet op de verzenddatum van de inleidende beschikking van 27 februari 2025 liep de termijn van zestien weken om op het administratief beroep te beslissen, af op 31 juli 2025. Bij brief van 23 juli 2025 heeft de officier van justitie die termijn tijdig met tien weken verlengd. Daarmee was de uiterste beslistermijn 9 oktober 2025. Nu hij op 16 juni 2025 op verzoek van betrokkene een termijn van vier weken heeft verleend voor het aanvullen van de gronden, is de beslistermijn met toepassing van artikel 7:24, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht met die vier weken opgeschort tot 6 november 2025; daarom was de ingebrekestelling van 13 oktober 2025 (door de officier van justitie ontvangen op 14 oktober 2025) prematuur. Het antwoord op de vraag of vertraging door de IT-storing wel of niet aan overmacht is te wijten, maakt daarom voor deze kwestie niets uit.

Beslissing

De kantonrechter:

 verklaart het beroep ongegrond;

 wijst het verzoek om een dwangsom af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter, in aanwezigheid van

mr. W.B. Jongsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026.

griffier kantonrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het

gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:

a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of

b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.

Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.

De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken