Rb. Noord-Nederland 21 oktober 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:4512

Faunaschade. Afwijzing tegemoetkoming in schade veroorzaakt door grauwe ganzen. Onvoldoende maatregelen ter voorkoming of beperking van schade. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1876
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen, verweerder
(gemachtigden: mr. E.M. Reijnders en D.T.A. Willemsen).

Samenvatting

1 Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in faunaschade. Eiser is het niet eens met die afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de aanvraag mocht afwijzen.

1.1 De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2 Eiser heeft op 5 november 2021 wintertarwe ingezaaid. Op 22 november 2021 constateerde hij schade door vraat van grauwe ganzen op zijn perceel wintertarwe. Diezelfde dag diende hij een aanvraag in om tegemoetkoming in de schade.

2.1 Een taxateur heeft het perceel op 22 december 2021 bezocht en de schade opgenomen. De schade is later vastgesteld op € 7.024,76.

2.2 Met het primaire besluit van 24 maart 2023 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.3 Met het bestreden besluit van 11 april 2025 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2.4 Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.5 De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser, de jager en de gemachtigden van verweerder zijn verschenen.

2.6 De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nader toe te lichten welk beleid wordt bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade van de provincie Groningen en wat de betekenis is van het Ganzenakkoord 2023-2029, waarnaar eiser tijdens de bezwaarprocedure heeft verwezen. De rechtbank heeft verweerder ook gevraagd te reageren op de brief van eiser van 15 juli 2026.

2.7 Verweerder heeft daarop schriftelijk gereageerd. Daarna heeft eiser daarop weer gereageerd.

2.8 Vervolgens hebben partijen de gelegenheid gekregen om aan te geven of zij nog een nadere zitting wensten. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet

3 Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Op een aanvraag om een besluit op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb), die is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold op het moment van de aanvraag van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

3.1 Eiser heeft het verzoek om tegemoetkoming gedaan op 22 november 2021. Dit betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

3.2 De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het toepasselijke beleid voor overwinterende ganzen
4. Eiser heeft aangevoerd dat onduidelijk is welke mogelijkheden er in de winter van 2021 bestonden om grauwe ganzen te bestrijden. Hij heeft erop gewezen dat het huidige Ganzenakkoord 2023-2029 andere afspraken bevat dan eerder beleid.

4.1 Verweerder heeft toegelicht dat in het schadejaar 2021 het Groninger Ganzenakkoord 2014-2022 gold. Daarin was onder meer opgenomen dat in de periode van 1 november tot 1 maart ondersteunend afschot van grauwe ganzen mogelijk is op kwetsbare gewassen, met uitzondering van foerageergebieden. Volgens verweerder volgt uit de in 2021 geldende ontheffing dat overwinterende grauwe ganzen in de periode van 1 oktober tot 1 april op percelen met kwetsbare gewassen mochten worden gedood.

4.2 De rechtbank stelt vast dat de aanvraag betrekking heeft op schade aan wintertarwe in het schadejaar 2021. Daarom moet worden beoordeeld welk beleid en welke ontheffing in dat jaar van toepassing waren. Het Ganzenakkoord 2023-2029 bestond toen nog niet. Voor de beoordeling is daarom het Groninger Ganzenakkoord 2014-2022 van belang. De rechtbank gaat uit van de regelgeving en beleidsafspraken die golden ten tijde van de schade in november 2021. Het huidige Ganzenakkoord 2023-2029 kan daarom niet worden toegepast op de schadeperiode 2021.

4.3 De rechtbank heeft verweerder ook gevraagd toe te lichten welk beleid wordt bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade van de provincie Groningen en of dat beleid afwijkt van de beleidsregels. Verweerder heeft geantwoord dat geen afzonderlijk, afwijkend tegemoetkomingsbeleid bestaat dat specifiek ziet op overwinterende ganzen. Artikel 4, vierde lid, verwijst volgens verweerder naar het beleid voor ganzenrustgebieden, ook wel foerageergebieden genoemd. In deze aangewezen gebieden wordt in de winterperiode niet getoetst aan adequaat gebruik van ondersteunend afschot, omdat ganzen daar juist de gelegenheid krijgen om te foerageren. De percelen van eiser liggen buiten een aangewezen foerageergebied. Artikel 4, vierde lid, is daarom volgens de toelichting van verweerder niet van toepassing op de aanvraag van eiser.

4.4 De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft toegelicht welk beleid van toepassing is in deze zaak. De rechtbank ziet geen grond om voor deze aanvraag uit te gaan van een afwijkend tegemoetkomingsbeleid voor overwinterende ganzen. Bij de beoordeling van de aanvraag moet dus worden uitgegaan van de beleidsregels en de ontheffing die in het schadejaar 2021 golden.
Mocht verweerder de aanvraag afwijzen?
5. Eiser voert aan dat hij na de constatering van de schade direct maatregelen heeft getroffen. Hij heeft een jager ingeschakeld en preventieve middelen geplaatst, waaronder ritselvlaggen en een vogelverschrikker in de vorm van een roofvogel. Volgens eiser zijn de ganzen na ongeveer een week tot tien dagen vertrokken naar een aangrenzend perceel en zijn zij niet meer op zijn perceel teruggekomen. Hij heeft toegelicht dat hij daarmee bedoelde dat de ganzen daar van ongeveer 12 tot en met 22 november 2021 hebben gezeten. Daarom was er na 22 november 2021 volgens hem geen aanleiding meer om de jager in te zetten voor ondersteunend afschot. Eiser vindt het onredelijk om te verlangen dat de jager daarna nog regelmatig naar het perceel kwam om ganzen te schieten die er volgens hem niet meer waren.

5.1 Eiser heeft verder verklaard dat hij de schade heeft vastgelegd met foto’s en filmpjes en dat een deel van het gewas later is nagezaaid. Ook heeft hij gewezen op de aanwezigheid van vogelgriep in de omgeving van zijn perceel. Volgens eiser lag zijn perceel aan de grens van een vogelgriepgebied, waardoor de regels moeilijk te rijmen waren met de verplichting om ganzen te bestrijden. Verder stelt eiser in zijn aanvullende reactie van 3 september 2026 dat het onjuist is om van hem te verlangen dat tot de eindtaxatie op 13 juni 2022 tweemaal per week zou zijn opgetreden, terwijl het toepasselijke beleid afschot slechts tot 1 april toestond.
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij gedurende de schadeperiode de schade heeft voorkomen of beperkt. Van een grondgebruiker mag volgens verweerder worden verwacht dat hij, zodra ganzenschade wordt geconstateerd, de beschikbare mogelijkheden inzet om verdere schade te voorkomen en te beperken. Daaronder valt ook ondersteunend afschot. Verweerder hanteert als uitgangspunt dat gedurende de schadeperiode ten minste tweemaal per week inspanningen worden verricht om schade te voorkomen of te beperken. Volgens verweerder volgt uit het dossier dat op 22 november 2021 nog veel ganzen aanwezig waren en dat uit de verklaringen van eiser op de hoorzitting volgt dat ook op 23 en 24 november 2021 nog ganzen op de percelen verbleven. Eiser had volgens verweerder op dat moment een machtiging voor ondersteunend afschot kunnen aanvragen. Verder wijst verweerder erop dat in het FRS-systeem geen acties, pogingen tot afschot of afschot zijn geregistreerd. Ook bezoeken waarbij geen ganzen werden aangetroffen, hadden volgens verweerder geregistreerd kunnen worden. Het ontbreken van dergelijke registraties maakt het volgens verweerder niet mogelijk om te controleren welke inspanningen zijn verricht.

6.1 Verweerder betwist dat alle schade al op 22 november 2021 was ontstaan en dat ondersteunend afschot daarna geen verschil meer had kunnen maken. Uit het dossier volgt dat in december afschrikmiddelen zijn verplaatst en dat in januari, februari en maart sprake was van bejaging met een geweer. Volgens verweerder duidt dit erop dat ook na november nog aanleiding bestond om ganzen te verjagen of te bestrijden. De verplichting om de schade te voorkomen en te beperken loopt volgens verweerder door tot de eindtaxatie, omdat in de tussenliggende periode nog verdere schade kan ontstaan of het gewas zich gedeeltelijk kan herstellen. Over de vogelgriep heeft verweerder opgemerkt dat hierover in de bezwaarfase al uitvoerig is gesproken. De enkele aanwezigheid van een vogelgriepgebied in de omgeving niet betekent dat ondersteunend afschot op het perceel van eiser in de relevante periode onmogelijk was.
7. De rechtbank stelt voorop dat op een grondgebruiker een inspanningsverplichting rust om schade door beschermde diersoorten zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken. Het gaat daarbij om maatregelen die, gelet op de omstandigheden van het geval, redelijkerwijs van de grondgebruiker kunnen worden verlangd. Dat de grondgebruiker maatregelen heeft getroffen, betekent niet zonder meer dat aan die verplichting is voldaan. Ook moet worden beoordeeld of de getroffen maatregelen voldoende waren en of aanvullende maatregelen mochten worden verlangd.

7.1 De rechtbank overweegt dat op grond van de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade van de provincie Groningen slechts een tegemoetkoming verleent indien de aanvrager voldoende inspanningen heeft geleverd om schade te voorkomen en beperken. Daaronder valt, als ondersteuning van preventieve maatregelen, het tijdig aanvragen en adequaat gebruiken van een ontheffing voor ondersteunend afschot.

7.2 De rechtbank dient te beoordelen of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser geen adequaat gebruik heeft gemaakt van de ontheffing voor ondersteunend afschot. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de door verweerder gehanteerde invulling van het begrip “adequaat gebruik” in vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet onredelijk is geacht.

7.3 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij na de constatering van de schade adequaat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden voor ondersteunend afschot. Daarbij betrekt de rechtbank dat op 22 november 2021 schade is geconstateerd en dat daarna geen acties of pogingen tot afschot in het FRS-systeem zijn geregistreerd. Dat eiser stelt dat de ganzen reeds waren weggetrokken, leidt daarom niet tot een ander oordeel. Deze enkele stelling is niet met objectieve gegevens onderbouwd en kan niet afdoen aan de verplichting om gedurende de schadeperiode aantoonbaar inspanningen te verrichten ter uitvoering van de ontheffing. Eiser heeft wel verklaard dat hij een jager heeft ingeschakeld, maar uit de beschikbare registraties blijkt niet voldoende welke inspanningen voor ondersteunend afschot zijn verricht en op welke momenten dat is gebeurd. Gelet op het verschil van inzicht tussen partijen over de aanwezigheid van ganzen na 22 november 2021, had een registratie van de bezoeken en de bevindingen van de jager kunnen bijdragen aan de controleerbaarheid van de inspanningen.

7.4 Eiser heeft verder aangevoerd dat de regels rond vogelgriep de mogelijkheden voor ondersteunend afschot beperkten. De rechtbank begrijpt dat eiser daarmee wil betogen dat de inzet van de jager niet zonder meer van hem kon worden verlangd. De enkele verwijzing naar de nabijheid van een vogelgriepgebied is echter onvoldoende om vast te stellen dat ondersteunend afschot op zijn percelen in de relevante periode onmogelijk was of dat eiser om die reden niet aan de inspanningsverplichting kon voldoen. Eiser heeft niet voldoende concreet gemaakt welke voor zijn percelen geldende beperking hem heeft verhinderd om de beschikbare mogelijkheden te benutten. De rechtbank ziet daarom in dit betoog geen grond voor een ander oordeel.

7.5 Ook het betoog dat de verplichting tot ondersteunend afschot niet tot na 1 april kon doorlopen, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt eiser in zoverre dat uit de periode waarin afschot was toegestaan niet zonder meer een verplichting tot afschot tot de eindtaxatie kan worden afgeleid. Dat neemt niet weg dat eiser gehouden was om in de periode waarin de mogelijkheden voor ondersteunend afschot beschikbaar waren, voldoende inspanningen te verrichten om de schade te voorkomen of te beperken. Verweerder heeft de afwijzing mede gebaseerd op het ontbreken van voldoende aantoonbare inspanningen in de periode na de constatering van de schade. De rechtbank acht dat standpunt, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, niet onredelijk.

7.6 De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Van bijzondere omstandigheden die maken dat strikte toepassing van het beleid in dit geval leidt tot onevenredige gevolgen voor eiser, is niet gebleken.

7.7 De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een tegemoetkoming in faunaschade, omdat geen sprake is van adequaat gebruik van de ontheffing voor ondersteunend afschot.

Conclusie en gevolgen

8 Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet natuurbescherming (vervallen per 01-01-2024, nu: artikel 15.53 Omgevingswet)

Artikel 6.1

1 Gedeputeerde staten verlenen in voorkomende gevallen tegemoetkomingen in schade, geleden in hun provincie, aangericht door natuurlijk in het wild levende: a. vogels van vogelsoorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of b. dieren die worden genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn of de bijlage behorende bij deze wet.

2 Een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren als bedoeld in het eerste lid, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

3 In geval schade als bedoeld in het eerste lid mede wordt geleden in meer dan één provincie, wordt een besluit als bedoeld in het eerste lid genomen door gedeputeerde staten waar de schade in hoofdzaak wordt geleden, in overeenstemming met gedeputeerde staten van die andere provincie.

Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade

Artikel 4

1 Gedeputeerde Staten zullen een tegemoetkoming slechts verlenen, indien en voor zover naar hun oordeel de aanvrager de schade niet had kunnen voorkomen en beperken door het treffen van maatregelen of inspanningen waartoe hij naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden.

2 Maatregelen of inspanningen ter voorkoming of beperking van schade, waarvan Gedeputeerde Staten menen dat deze naar eisen van redelijkheid en billijkheid door de aanvrager kunnen worden genomen, zijn: a. voor kwetsbare gewassen de inzet van zowel visuele als akoestische middelen in voldoende aantallen; b. voor kapitaalintensieve teelten de inzet van een deugdelijk raster; c. voor overige gewassen verjaging door menselijke aanwezigheid; d. alternatieve middelen waarvan het gebruik vooraf schriftelijk aan BIJ12 is voorgelegd en BIJ12 daarmee heeft ingestemd.

Ter ondersteuning van de voorgaande maatregelen dient een ontheffing als bedoeld in het derde lid te worden aangevraagd.

3 Een tegemoetkoming in schade, veroorzaakt door natuurlijk in het wild levende beschermde diersoorten en waarvoor ingevolge artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid, of artikel 3.17, eerste lid, van de wet een ontheffing kan worden verleend, wordt slechts toegekend indien:

a. de ontheffing tijdig op deugdelijke wijze is aangevraagd en op inhoudelijke gronden door de provincie is geweigerd;

b. de ontheffing (of toestemming) tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op de dag van schadeconstatering, is aangevraagd en nadat deze is verleend daarvan op adequate wijze gebruik is gemaakt, en desondanks bedrijfsmatige schade aan gewassen, teelten of overige producten is opgetreden.

Toelichting artikelen 3 tot en met 5

[…] Van een verleende ontheffing moet adequaat gebruik worden gemaakt. Dit houdt in dat minimaal twee keer per week aan verjaging ondersteunend afschot, of pogingen tot afschot, dient plaats te vinden. Om te kunnen toetsen of er sprake is van adequaat gebruik wordt een aanvrager gevraagd een rapportage van de jachthouder ten aanzien van het gebruik van de ontheffing te overleggen. […]

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken