Rb. Noord-Nederland 30 september 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:4439

Een medisch specialist is via zijn praktijkvennootschap lid van een cooperatie. Nadat de cooperatie zijn lidmaatschap opzegt, stelt hij zich op het standpunt dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer / rekestnummer: 12266628 \ AR VERZ 26-50
Beschikking van 30 september 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
tevens verweerder in het incident,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. E.W. Kingma,
tegen
1 COÖPERATIE HEELKUNDE FRIESLAND U.A.,
te [vestigingsplaats] ,
hierna: CHF,
2. REGIONAAL PRODUCTIEBEDRIJF HEELKUNDE B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
hierna: RPH,
verwerende partijen,
tevens verzoeksters in het incident,
gemachtigde: mr. C. Velink.

De zaak in het kort

Het gaat in deze zaak om de vraag of tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestond.

De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is. Hierna legt de kantonrechter dat oordeel uit.

1 De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de aanvullende producties van [verzoeker]
- de mondelinge behandeling van 31 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitaantekeningen van [verzoeker] .

1.2 De beschikking is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1 [verzoeker] is medisch specialist, gespecialiseerd in [specialisatie] . Hij is in [jaar] gaan werken als [specialist] in het [ziekenhuis]. Aanvankelijk werkte [verzoeker] daar als vrijgevestigd medisch specialist in maatschapsverband en op basis van een zogeheten toelatingsovereenkomst (overeenkomst van opdracht) met [ziekenhuis]. Op grond daarvan mocht [verzoeker] voor eigen rekening en risico zijn praktijk in [ziekenhuis] uitoefenen. [verzoeker] declareerde zijn honorarium via [ziekenhuis] aan de zorgverzekeraar of patiënt.

2.2 Op 1 januari 2015 is een nieuwe bekostigingssystematiek
- de integrale bekostiging - voor de medisch specialistische zorg ingevoerd. Integrale bekostiging houdt in dat zorgverzekeraars en patiënten één integraal tarief betalen voor ziekenhuisbehandelingen. Dit betekende dat het declaratierecht bij de ziekenhuizen kwam te liggen en dat het zelfstandig declaratierecht van de vrij gevestigde medisch specialisten verviel.

2.3 Als uitvloeisel van de gewijzigde kostensystematiek is een deel van de vrijgevestigde medisch specialisten in loondienst gegaan bij [ziekenhuis]. Andere medisch specialisten hebben hun (ziekenhuis)praktijk per 1 januari 2015 ingebracht in CHF. CHF is een op 24 december 2014 opgerichte coöperatie waarin de praktijkvennootschappen van medisch specialisten verenigd zijn en die als doel heeft het (doen) uitoefenen dan wel het (doen) faciliteren en ondersteunen van de medisch specialistische praktijk. CHF heeft daartoe met de betreffende medische specialisten en hun praktijkvennootschappen ledenovereenkomsten gesloten. Ook met [verzoeker] en zijn praktijkvennootschap - [praktijkvennootschap] - is een ledenovereenkomst (hierna: de Aansluitingsovereenkomst) gesloten. Deze praktijkvennootschap is op 22 december 2014 door [verzoeker] opgericht. De dochtervennootschap van CHF - RPH - is ook partij bij de ledenovereenkomst. Via deze vennootschap drijft CHF een medische specialistische praktijk in chirurgie. CHF en RPH vormen samen de Heelkunde Friesland Groep (HFG).

2.4 HFG, [praktijkvennootschap] en [verzoeker] hebben daarnaast een dienstverleningsovereenkomst gesloten (hierna: de Dienstverleningsovereenkomst). Met die overeenkomst heeft [praktijkvennootschap] zich als opdrachtnemer jegens RPH als opdrachtgever verbonden om medische diensten te verlenen die behoren tot het deskundigengebied van [verzoeker] .

2.5 De algemene vergadering van CHF heeft het Reglement Coöperatie Heelkunde Friesland U.A. (hierna: het Reglement) vastgesteld. Dit Reglement bevat nadere bepalingen die in het algemeen van toepassing zijn op de Aansluitingsovereenkomst en de daarop voortbouwende overeenkomsten.

2.6 Op 21 januari 2015 zijn [ziekenhuis] en RPH een samenwerkingsovereenkomst (hierna: SOK) aangegaan. Deze SOK strekt ertoe dat RPH en de aan haar verbonden medisch specialisten in opdracht van [ziekenhuis] medisch specialistische zorg leveren binnen [ziekenhuis]. Ook met andere ziekenhuizen en een privékliniek is RPH samenwerkingsovereenkomsten aangegaan. In de SOK is onder meer bepaald dat [ziekenhuis] met de medisch specialist een instemmingsovereenkomst sluit waarin die zich verplicht de verplichtingen uit de SOK na te komen.

2.7 Op 21 januari 2015 heeft [verzoeker] een dergelijke instemmingsovereenkomst gesloten met [ziekenhuis].

2.8 Bij [ziekenhuis] zijn signalen binnengekomen van medewerkers die problemen ervoeren in de samenwerking met [verzoeker] . Dat heeft er toe geleid dat [ziekenhuis] in [datum] heeft besloten tot een onderzoek naar de veiligheid op de werkvloer en HFG heeft verzocht om [verzoeker] voorlopig niet meer actief te laten zijn. HFG heeft [verzoeker] hierover geïnformeerd. [verzoeker] heeft zijn werkzaamheden hierna niet meer hervat.

2.9 Op 8 april 2026 heeft een ledenvergadering van CHF plaatsgevonden. In die vergadering is ingestemd met de voorgenomen opzegging van het lidmaatschap van [praktijkvennootschap] en de Aansluitingsovereenkomst met [praktijkvennootschap] (en indirect [verzoeker] ) door het bestuur.

2.10 Bij brief van 9 april 2026 heeft HFG [verzoeker] en [praktijkvennootschap] in kennis gesteld van de besluiten van het bestuur van CHF om het lidmaatschap van [praktijkvennootschap] en de Aansluitingsovereenkomst met [praktijkvennootschap] met onmiddellijke ingang op te zeggen en het besluit van het bestuur van RPH om de Dienstverleningsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen.

3 Het verzoek en het verweer

3.1 [verzoeker] verzoekt, samengevat, vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst per 9 april 2026 door CHF dan wel RPH en veroordeling tot (door)betaling van het (achterstallige) loon vanaf 9 april 2026 tot de dag waarop de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging en rente.

3.2 Aan het verzoek heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd dat tussen hem en CHF dan wel RPH een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen die niet (rechtsgeldig) is opgezegd.

3.3 HFG heeft verweer gevoerd. HFG verzoekt, voor alle weren, bij incidenteel verzoek dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart om van onderhavig geschil kennis te nemen. Volgens HFG zijn partijen overeengekomen om hun geschillen te laten beslechten door bindend advies. In de hoofdzaak concludeert HFG tot afwijzing van het verzoek. HFG verzoekt [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten van het incident en de hoofdzaak.

4 De beoordeling

In het incident

4.1 HFG heeft bij incident een beroep gedaan op de onbevoegdheid van de kantonrechter en daarbij gewezen op de in de Aansluitingsovereenkomst, de Dienstverleningsovereenkomst en het Reglement van CHF overeengekomen bindend adviesbedingen.

4.2 [verzoeker] verweert zich tegen dit verzoek en voert daartoe het volgende aan. Tussen hem en CHF of RPH is een mondelinge arbeidsovereenkomst tot stand gekomen. Er is met hem dus geen bindend adviesbeding overeengekomen. Daarnaast is volgens [verzoeker] sprake van een spoedprocedure, omdat voor een beroep op de vernietiging van de opzegging van een arbeidsovereenkomst een vervaltermijn van twee maanden geldt. Binnen deze termijn kan [verzoeker] geen bindend advies krijgen. Een spoedprocedure valt naar zijn aard niet onder een bindend adviesbeding. Bovendien is een beroep op zo’n beding vanwege de vervaltermijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

4.3 De kantonrechter overweegt als volgt.

4.4 Niet in geschil is dat in de Aansluitingsovereenkomst, de Dienstverleningsovereenkomst en het Reglement van CHF bindend adviesbedingen zijn opgenomen. Ook is niet in geschil dat [verzoeker] aan de hiervoor aangehaalde overeenkomsten en het Reglement is gebonden en daarmee dus ook is gebonden aan de daarin opgenomen bindend adviesbedingen.

4.5 Uitgangpunt is dat een tussen partijen overeengekomen bindend adviesbeding niet leidt tot onbevoegdheid van de burgerlijke rechter maar wel tot gevolg heeft dat degene die bij de rechter vorderingen instelt die door dat beding worden bestreken, daarin niet kan worden ontvangen. Er is geen steekhoudende grond of reden aangevoerd of gebleken waaruit volgt dat in deze zaak van dit uitgangspunt zou moeten worden afgeweken. Door een bindend adviesbeding wordt de overheidsrechter uitgeschakeld. Partijen moeten de weg van het bindend advies volgen en nadat zij die weg hebben bewandeld, kan een geschil niet opnieuw door de overheidsrechter worden beslecht. Er kan slechts nog een marginale, inhoudelijke toetsing plaatsvinden van het bindend advies door de overheidsrechter. Uit de wetsgeschiedenis van de Wet werk en zekerheid (Wwz) en uit de rechtspraak volgt dat het mogelijk is om overeen te komen dat geschillen over de arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan beslecht worden door middel van bindend advies. Uit het voorgaande volgt dat de omstandigheid dat bij de overheidsrechter een vervaltermijn geldt, anders dan [verzoeker] bepleit, niet zonder meer meebrengt dat een overeengekomen bindend adviesbeding reeds daarom terzijde kan worden geschoven en dat de gang naar de kantonrechter komt open te staan.

4.6 De kantonrechter stelt vast dat de tussen partijen overeengekomen bindend adviesbedingen nagenoeg hetzelfde zijn geformuleerd en, kort gezegd, bepalen dat alle geschillen die voortvloeien uit de Aansluitingsovereenkomst, de Dienstverleningsovereenkomst of het Reglement, alsmede alle daarop voortbouwende overeenkomsten of regelingen, zullen worden onderworpen aan bindend advies.
In dit geval legt [verzoeker] aan zijn verzoek ten grondslag dat hij een mondelinge arbeidsovereenkomst met CHF en/of RPH heeft gesloten. Zijn verzoek ziet dus op
de vraag of zijn feitelijke verhouding met CHF en/of RPH, ondanks de gekozen juridische (coöperatie)constructie en samenwerkingsstructuur, kwalificeert als een arbeidsovereenkomst. Naar het oordeel van de kantonrechter kan niet worden gezegd dat het gaat om een verzoek dat voortspruit uit de Aansluitingsovereenkomst, Dienstverleningsovereenkomst of het Reglement. Daarmee valt het geschil tussen partijen niet onder de reikwijdte van de overeengekomen bedingen voor bindend advies en kan het incidentele verzoek van HFG niet worden toegewezen.

Proceskosten

4.7 De proceskosten komen voor rekening van HFG, omdat zij ongelijk krijg. In aanmerking nemend dat [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling ook inhoudelijk op de zaak is ingegaan, begroot de kantonrechter die HFG aan [verzoeker] moet betalen op €271,00
aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x tarief € 271,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 415,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking wordt betekend.

In de hoofdzaak

4.8 Het gaat in deze zaak om de vraag of de rechtsverhouding tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst.

Juridisch kader

4.9 Een arbeidsovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.

4.10 Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moeten twee fasen worden doorlopen. In de eerste fase moet door uitleg van de overeenkomst worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. In deze fase is ruimte voor de partijbedoelingen en kan de maatschappelijke positie van partijen een rol spelen. In de tweede fase wordt beoordeeld of de overeengekomen rechten en verplichtingen de kenmerken hebben van een arbeidsovereenkomst. Daarbij is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt.

4.11 Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Van belang kunnen onder meer zijn:
1. de aard en duur van de werkzaamheden
2. de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald
3. de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht
4. het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren
5. de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen
6. de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd
7. de hoogte van deze beloning
8. de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt 9. de vraag of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.

4.12 De kantonrechter betrekt deze gezichtspunten hierna in de beoordeling. Er is geen sprake van een rangorde tussen de verschillende genoemde gezichtspunten. De kantonrechter zal in een alomvattende (holistische) weging beoordelen of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst.

Fase 1: vaststelling overeengekomen rechten en verplichtingen

4.13 De rechten en verplichtingen van partijen volgen (onder meer) uit wat zij overeen zijn gekomen in de Aansluitingsovereenkomst en de Dienstverleningsovereenkomst en wat in het Reglement van CHF is bepaald. Mede gelet op wat partijen in de processtukken en tijdens de mondelinge behandeling hierover naar voren hebben gebracht, volgt daaruit onder meer het volgende.

4.14 [verzoeker] heeft zich - via [praktijkvennootschap] - verplicht om door tussenkomst van HFG zorg te verlenen en te leveren. Het betreft zorg behorende tot het specialisme van [verzoeker] . [verzoeker] had de vrijheid om de werkzaamheden naar eigen inzicht te verrichten en kon zich laten vervangen door een ander lid van CHF, na toestemming van CHF. [praktijkvennootschap] had elk jaar recht op een winstuitkering. Deze winstuitkering werd achteraf vastgesteld, op basis van de jaarrekeningen van HFG. [praktijkvennootschap] kon aanspraak maken op een maandelijks voorschot op deze winstuitkering, die was gebaseerd op de verwachte winst. Als achteraf bleek dat het voorschot te hoog was geweest, was [praktijkvennootschap] gehouden om het meerdere terug te betalen. Tijdens (vakantie)verlof en kortdurende arbeidsongeschiktheid (korter dan drie maanden) bestond recht op doorbetaling van het voorschot. Bij langdurige arbeidsongeschiktheid was [praktijkvennootschap] een vergoeding verschuldigd ten behoeve van de vervanging van [verzoeker] en bestond geen recht op het maandelijkse voorschot voor zover deze vervangingsvergoeding niet werd betaald. [praktijkvennootschap] had de verplichting om een beroepsaansprakelijkheidsverzekering af te sluiten. Ook had [praktijkvennootschap] de verplichting om zich voor arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] te verzekeren. Kosten die zien op vervoer, beroepskleding, contributies, vakliteratuur en telefoon aan huis kwamen voor rekening van [praktijkvennootschap] . Zowel de Aansluitings- als de Dienstverleningsovereenkomst bevatten een non-concurrentiebeding.

4.15 Tussen partijen is niet in geschil dat zij de door hen gemaakte afspraken in de praktijk ook hebben uitgevoerd, althans gesteld noch gebleken is dat partijen zich niet aan deze afspraken hebben gehouden of anders hebben gehandeld.

Fase 2: de kwalificatie

4.16 Nu vaststaat welke rechten en plichten golden, gaat de kantonrechter over tot kwalificatie van de rechtsverhouding van partijen.
De wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen

4.17 De kantonrechter ziet aanleiding eerst in te gaan op het gezichtspunt onder 5. Voordat [verzoeker] enige overeenkomst met HFG sloot, was hij een vrijgevestigd medisch specialist die werkte in maatschapsverband. De overeenkomsten met HFG zijn tot stand gekomen na de invoering van de nieuwe bekostigingssystematiek voor de medisch specialistische zorg op 1 januari 2015 waardoor het zelfstandig declaratierecht van de vrij gevestigde medische specialisten verviel. De vrijgevestigde medische specialisten stonden voor een keuze: of behoud van de status als vrijgevestigd medisch specialist of in loondienst van het ziekenhuis of een andere entiteit gaan. Een aantal medisch specialisten die vrijgevestigd wilden blijven heeft eind december 2014 CHF en haar dochtervennootschap RPH opgericht. Ongeveer gelijktijdig heeft [verzoeker] zijn eigen praktijkvennootschap [praktijkvennootschap] opgericht. Hij is vervolgens via deze vennootschap lid geworden van CHF. Daartoe heeft hij [praktijkvennootschap] ingebracht in CHF en samen met [praktijkvennootschap] een ledenovereenkomst (Aansluitingsovereenkomst) en een overeenkomst van opdracht (Dienstverleningsovereenkomst) met HFG gesloten. Daarnaast heeft [verzoeker] een arbeidsovereenkomst met [praktijkvennootschap] en een instemmingsverklaring met [ziekenhuis] gesloten. Dat hem dit alles tegen zijn wil is opgedrongen blijkt nergens uit. Alles wijst er juist op dat [verzoeker] de wens had om net als voorheen een vrijgevestigd medisch specialist te blijven en zijn ondernemerschap te behouden. [verzoeker] had (via [praktijkvennootschap] ) samen met de uiteindelijke belanghebbenden van de andere leden van CFH indirect de zeggenschap over CHF. Zij waren dus de ondernemers achter de medische specialistische praktijk die deze coöperatie via RPH dreef. De wederzijdse rechten en verplichtingen zijn neergelegd in de ledenovereenkomst en de overeenkomst van opdracht die elk lid van CHF afzonderlijk met HFG heeft gesloten en daarnaast in het Reglement dat de leden van CHF gezamenlijk hebben vastgesteld. Daartoe behoren ook de (arbeids-)voorwaarden die tussen hen van toepassing zijn en waaronder de leden van CHF als opdrachtnemers en de aan hen verbonden medische specialisten hun werkzaamheden voor RPH als opdrachtgever verrichten. De gemaakte afspraken zien onder meer op het aantal vakantiedagen, doorbetaling bij ziekte en (vakantie)verlof, het verplicht sluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, het vergoeden van werkkosten en een concurrentiebeding. Deze rechten en verplichtingen tussen HFG en [verzoeker] waren dus indirect bepaald door [verzoeker] zelf, samen met de andere leden van CHF. Dit wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.

De wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd

4.18 Voorts geldt ten aanzien van gezichtspunt 6 dat door HFG aan [praktijkvennootschap] een maandelijks voorschot op de winstuitkering werd betaald, gebaseerd op de verwachte winst. Deze winst werd achteraf door (de leden van) CHF vastgesteld, wat kon leiden tot terug- of bijbetaling. Ook de vergoeding werd dus indirect bepaald door [verzoeker] zelf, samen met de andere leden van CHF. Niet ter discussie staat dat op de maandelijkse bevoorschotting aan [praktijkvennootschap] geen premies en belastingen werden ingehouden en afgedragen. Vast staat verder dat [verzoeker] een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met [praktijkvennootschap] , zichzelf vanuit deze vennootschap verloonde en zelf zorg diende te dragen voor de afdrachten en pensioenopbouw. Deze manier van betaling wijkt af van de gebruikelijke loonbetaling in een arbeidsrelatie, waarbij de werkgever op het loon premies en/of belastingen inhoudt en afdraagt aan de belastingdienst en daarvan loonstroken verstrekt. De wijze waarop de beloning tot stand is gekomen en werd uitgekeerd past meer bij een overeenkomst van opdracht.
Het gedragen als ondernemer in het economisch verkeer bij het verrichten van de werkzaamheden

4.19 Ten aanzien van gezichtspunt 9 overweegt de kantonrechter dat de eigen praktijkvennootschap van [verzoeker] - [praktijkvennootschap] - op het moment dat hij werkzaamheden voor HFG verrichtte stond ingeschreven in het Handelsregister. Ook staat vast dat [praktijkvennootschap] recht had op een winstuitkering door HFG, daartoe maandelijks een voorschot op de verwachte winst ontving en ter zake hiervan was onderworpen aan vennootschapsbelasting. Verder staat vast dat [verzoeker] in dienst is getreden bij [praktijkvennootschap] en dat [praktijkvennootschap] hem loon betaalde en loonheffingen inhield. Ook staat niet ter discussie dat [praktijkvennootschap] altijd jaarrekeningen heeft opgesteld en gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel, alsmede dat [praktijkvennootschap] naast [verzoeker] personeel in dienst heeft genomen. [verzoeker] heeft ook niet betwist dat hij eerder vrijgevestigd medisch adviseur was. Uit het voorgaande volgt dat [verzoeker] zich in het economisch verkeer als ondernemer gedroeg, dit ook voorheen al deed en door de belastingdienst ook als ondernemer behandeld werd. Dit zijn belangrijke contra-indicaties voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Dat [praktijkvennootschap] slechts één opdrachtgever had, zijnde RPH, is daarbij niet van doorslaggevende betekenis. In dit geval werd het ondernemerschap van [verzoeker] , met dat van zijn mede-leden van CHF, uitgeoefend in hun gezamenlijke onderneming RPH. Daarom is voor het ondernemerschap van [verzoeker] niet van belang of hij (met [praktijkvennootschap] ) behalve voor RPH nog voor andere opdrachtgevers werkte. RPH werkt voor verschillende opdrachtgevers.

4.20 De voorgaande drie gezichtspunten wijzen er sterk op dat tussen HFG en [verzoeker] geen sprake was van een arbeidsovereenkomst maar van een overeenkomst van opdracht. Uit de genoemde omstandigheden volgt dat [verzoeker] mede-ondernemer was via [praktijkvennootschap] en samen met zijn mede-ondernemers bepaalde onder welke voorwaarden zij hun werkzaamheden voor de gezamenlijke onderneming verrichtten. Van een gezagsrelatie tussen HFG en [verzoeker] was geen sprake. Van belang is dat de regels van HFG waar hij zich aan moest houden, (uiteindelijk) door de leden van CHF, waaronder hijzelf via zijn eigen praktijkvennootschap, zijn bepaald.

De overige gezichtspunten

4.21 De overige gezichtspunten zijn in dit geval onvoldoende richtinggevend voor de ene of de andere uitkomst en leiden in ieder geval niet tot een andere conclusie.

4.22 Wat betreft gezichtspunt 1, de aard en duur van de werkzaamheden, geldt dat de aard van de werkzaamheden van [verzoeker] en de onbepaalde tijd ervan op zichzelf passen bij een arbeidsovereenkomst. Deze passen echter evenzeer bij een bestendige vorm van mede-ondernemerschap zoals bij CHF en haar leden.

4.23 Gezichtspunt 2 gaat over de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald. [verzoeker] heeft, ter onderbouwing van zijn stelling dat hij zijn werkzaamheden onder gezag van HFG verrichtte, erop gewezen dat hij zich moest houden aan het binnen HFG geldende Reglement. Daarin is bepaald hoe de werkverdeling eruitziet. Zoals hierboven onder 4.17 genoemd, is het Reglement door de leden van CHF, waaronder indirect [verzoeker] zelf, opgesteld. De binding aan het Reglement duidt daarom niet noodzakelijkerwijs op een gezagsverhouding. Daar komt nog bij dat een beperking op de volledige vrijheid van werktijden en werkuren een logisch gevolg is van een samenwerking met meerdere personen in een coöperatie. [verzoeker] voert nog aan dat hij het werk diende uit te voeren conform de instructies van HFG. Het enkele feit dat HFG hem instructies gaf, betekent echter niet dat sprake was van een arbeidsrechtelijke gezagsverhouding, ook niet als die instructies verband hielden met de werkzaamheden waarvoor [verzoeker] verantwoordelijk was binnen HFG. Immers ook een opdrachtnemer is gehouden gevolg te geven aan tijdig verleende en verantwoorde aanwijzingen omtrent de uitvoering van de opdracht. Verder heeft [verzoeker] aangevoerd dat hij zich moest houden aan de werktijden, werkverdeling en de protocollen van [ziekenhuis] en dat hij werkte binnen een centraal geregeld administratiesysteem van [ziekenhuis]. Dit is echter niet van betekenis voor de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen [verzoeker] en HFG.

4.24 Voor gezichtspunt 3, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, is van belang dat [verzoeker] en zijn werkzaamheden waren ingebed in de organisatie en bedrijfsvoering van HFG. De werkzaamheden zijn immers een wezenlijk onderdeel van de kernactiviteit van HFG, namelijk het verlenen van medische zorg. Er zijn ook medisch specialisten in dienst van CHF. Dat kan duiden op een arbeidsovereenkomst, maar past evenzeer bij een bestendige vorm van mede-ondernemerschap waarin de leden van CHF hebben bepaald op welke manier zij met elkaar samenwerken. Dat [verzoeker] dezelfde werkzaamheden uitvoerde als loondienstmedewerkers van CHF duidt nog niet op werknemerschap, omdat dit inherent zal zijn aan de uit te voeren taken die horen bij het verlenen van medische zorg. Aan dit gezichtspunt komt in dit geval dus niet zoveel waarde toe.

4.25 Bij gezichtspunt 4, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, geldt dat [verzoeker] het werk niet persé zelf hoefde te doen. Hij mocht zich laten vervangen door een ander lid van CHF. Dit is een aanwijzing dat sprake is van een overeenkomst van opdracht. Wel geldt dat deze vervangingsmogelijkheid beperkt was. Dit kan duiden op een arbeidsovereenkomst, maar past ook bij onderlinge afspraken tussen ondernemers om samen te werken, waarbij ook nog meeweegt dat het gaat om het uitoefenen van een medisch specialistische praktijk waarbij de specifieke hoedanigheid van de medisch specialist van belang was. Overigens is [verzoeker] vanaf [datum] vervangen. Ook aan dit gezichtspunt komt in dit geval dan ook geen belangrijke betekenis toe.

4.26 Wat betreft gezichtspunt 7, de hoogte van de beloning, is relevant dat HFG tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld dat de vergoeding van [praktijkvennootschap] elk jaar circa
€ 320.000,- bedroeg en dat deze vergoeding veel hoger is dan wat een medisch specialist in loondienst verdient, namelijk € 200.000,- inclusief vakantiegeld en toeslagen. Deze stelling is echter niet onderbouwd en betwist door [verzoeker] , zodat de kantonrechter dit gezichtspunt niet zal meenemen in de beoordeling.

4.27 Gezichtspunt 8 betreft de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Niet ter discussie staat dat het aanbod van werk geen enkele invloed had op het vergoeding die [verzoeker] (via [praktijkvennootschap] ) ontving. Hij hoefde geen opdrachten binnen te halen en werkte steeds voor één opdrachtgever. In die zin liep [verzoeker] geen commercieel risico. Dit past meer bij een arbeidsovereenkomst. Ook het feit dat de vergoeding maandelijks werd uitbetaald en tijdens kortdurende ziekte en (vakantie)verlof werd doorbetaald, wijzen in de richting van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Zoals hierboven genoemd, betrof de maandelijkse vergoeding echter een voorschot, gebaseerd op de verwachte winst. HFG heeft onweersproken aangevoerd dat deze winst kon fluctueren vanwege gemaakte productieafspraken met de ziekenhuizen, investeringslasten en het debiteurenrisico dat RPH draagt. Om die reden kon het voorschot achteraf naar boven of beneden worden bijgesteld. Dit duidt op ondernemersrisico, wat eerder wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht. Ook werd [verzoeker] (via [praktijkvennootschap] ) niet doorbetaald bij langdurige arbeidsongeschiktheid en moest [praktijkvennootschap] in dat geval een vergoeding aan HFG betalen voor zijn vervanging. Ook moest [praktijkvennootschap] zelf een verzekering voor zijn arbeidsongeschiktheid afsluiten. Ook dit duidt op ondernemersrisico. Gelet op dit alles geeft toepassing van dit gezichtspunt geen uitsluitsel over de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht.

Conclusie

4.28 Gelet op alle omstandigheden van dit geval, ook in onderling verband bezien, komt de kantonrechter tot de slotsom dat de rechtsverhouding tussen partijen niet kan worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. De positie en zeggenschap van [verzoeker] tegenover HFG, zoals hierboven onder 4.17 uiteengezet, wegen daarbij het zwaarst. Die staan namelijk haaks op een verhouding tussen werkgever en werknemer en zijn zo atypisch voor een arbeidsovereenkomst dat de kantonrechter daar groot gewicht aan toekent. Deze verhouding tussen [verzoeker] en HFG maakt bovendien dat de beschermingsgedachte achter het voorkomen van schijnzelfstandigheid in dit geval niet zo zeer aan de orde lijkt. De argumenten voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst geven daarom in dit geval niet de doorslag. Dit betekent dat het verzoek van [verzoeker] wordt afgewezen.

Proceskosten

4.29 De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat hij ongelijk krijg. De kantonrechter begroot de kosten die [verzoeker] aan HFG moet betalen op € 865,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.009,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking wordt betekend.

5 De beslissing

De kantonrechter

In het incident

5.1 wijst het verzoek af,

5.2 veroordeelt HFG in de proceskosten van € 415,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als HFG niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,

5.3 verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

In de hoofdzaak

5.4 wijst het verzoek af,

5.5 veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,

5.6 verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. T.K. Hoogslag en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
413

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken