Rb. Noord-Nederland 9 oktober 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:4435

Veroordeling voor het medeplegen van oplichting - zijnde bankhelpdeskfraude -, gekwalificeerde diefstallen, verduistering, openlijke geweldpleging en het medeplegen van schuldwitwassen tot een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden en een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 150 uren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.020418.25
ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18.360282.24; 18.087759.26 vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18-205652-21
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 oktober 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 september 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W. Volkers, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.

Tenlastelegging

Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis wordt voor wat betreft de volledige tekst van de tenlasteleggingen verwezen naar de inhoud daarvan zoals opgenomen in bijlage I. De inhoud van die bijlage dient als hier ingelast te worden beschouwd.

Aan verdachte is onder parketnummer 18.360282.24 - kort en zakelijk weergegeven - ten laste gelegd dat:

zij op 1 september 2024 in Groningen, al dan niet samen met een ander, een fatbike van

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft beschadigd en/of weggemaakt, dan wel dat zij die fatbike al dan niet samen met een ander heeft verduisterd.

Aan verdachte is onder parketnummer 18.020418.25 - kort en zakelijk weergegeven - ten laste gelegd dat:

zij in de periode van 15 oktober 2024 tot en met 14 november 2024 in Groningen en/of [plaats] , al dan niet samen met anderen, meerdere personen heeft opgelicht door zich voor te doen als medewerker van een bank en zo de bankpas en pincode van deze personen heeft verkregen;

zij in de periode van 15 oktober 2024 tot en met 14 november 2024 in Groningen en/of [plaats] , al dan niet samen met anderen, van meerdere personen geldbedragen heeft weggenomen door gebruik te maken van de door de oplichting verkregen bankpassen en pincodes;

zij op 20 september 2024 in Groningen, al dan niet samen met anderen, heeft geprobeerd met de door oplichting verkregen bankpas en pincode van [slachtoffer 3] geld weg te nemen, door met die bankpas en pincode één of meerdere telefoons proberen af te rekenen.

Aan verdachte is onder parketnummer 18-087759-26 - kort en zakelijk weergegeven - ten laste gelegd dat:

zij op 7 november 2024 in Winsum, al dan niet samen met anderen, [slachtoffer 4] heeft opgelicht door zich voor te doen als medewerker van de Rabobank en zo de bankpas van die [slachtoffer 4] heeft verkregen, dan wel dat zij hieraan medeplichtig is geweest door de bankpas van [slachtoffer 4] op te halen;

zij op 7 november 2024 in Winsum, al dan niet samen met anderen, van [slachtoffer 4] meerdere geldbedragen van in totaal 600,00 heeft weggenomen door met de door de oplichting verkregen bankpas

te pinnen;

zij op 27 februari 2025 in Groningen en/of [plaats] , al dan niet samen met anderen, een geldbedrag van 4,10 heeft witgewassen, dan wel dat zij hieraan medeplichtig is geweest door haar bankpas, pincode en/of bankrekening ter beschikking te stellen;

zij op 5 maart 2025 in Groningen, al dan niet samen met anderen, geldbedragen van in totaal 10.000,00 heeft witgewassen, dan wel dat zij hieraan medeplichtig is geweest door haar bankpas, pincode en/of bankrekening ter beschikking te stellen;

zij op 5 maart 2025 in Groningen en/of Amsterdam en/of Rockanje, al dan niet samen met anderen, geldbedragen van in totaal 4.999,38 heeft witgewassen, dan wel dat zij hieraan medeplichtig is geweest door haar bankpas, pincode en/of bankrekening ter beschikking te stellen;

zij op 23 mei 2025 in Groningen, al dan niet samen met anderen, van [slachtoffer 5] meerdere geldbedragen van in totaal 1.230,50 heeft weggenomen door met de door de oplichting verkregen bankpas te pinnen;

zij op 27 maart 2025 in Groningen in de fietsenstalling van [locatie 1] (gelegen aan de [adres 2] ), in vereniging openlijk geweld heeft gepleegd tegen een fiets, dan wel dat zij, al dan niet samen met een ander, die fiets, toebehorende aan [slachtoffer 6] , heeft beschadigd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder parketnummer 18.087759.26 onder 3 primair, 4 primair en 5 primair ten laste gelegde. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat het handelen van verdachte dient te worden gekwalificeerd als medeplichtigheid aan (schuld)witwassen.

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder parketnummer 18.020418.25 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde, het onder parketnummer 18.360282.24 primair ten laste gelegde en het onder parketnummer 18-087759-26 onder 1 primair, 2, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair, 6 en 7 primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder parketnummer 18.360282.24 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte de fatbike heeft meegenomen en aan zijn bestemming als eigendom van [slachtoffer 1] heeft onttrokken. Naar het oordeel van de officier van justitie dient dit handelen van verdachte te worden gekwalificeerd als het wegmaken van de fatbike.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het onder parketnummer 18.360282.24 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet duidelijk is geworden aan wie de fatbike toebehoort en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] , inhoudende dat verdachte zou hebben gezegd dat zij de fatbike wilde stelen, niet wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel. De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het wegmaken of het zich toe-eigenen van de fatbike.

De raadsvrouw heeft voorts betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder parketnummer 18.087759.26 onder 7 primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de door verdachte gepleegde geweldshandelingen niet openlijk en op een openbaar toegankelijke plek hebben plaatsgevonden. Voor wat betreft een bewezenverklaring van het onder parketnummer 18.087759.26 onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Tot slot heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het onder parketnummer 18.020418.25 onder 1 en 2 ten laste gelegde gedachtestreepje, inhoudende dat verdachte samen met anderen op 23 oktober 2024 [slachtoffer 7] heeft opgelicht en van die [slachtoffer 7] middels een valse sleutel een geldbedrag heeft weggenomen. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat voornoemde oplichting en diefstal niet op 23 oktober 2024 maar op 24 oktober 2024 hebben plaatsgevonden. Voor wat betreft een bewezenverklaring van het onder parketnummer 18.087759.26 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

parketnummer 18.360282.24

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank past ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1 De door verdachte op de terechtzitting van 11 september 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik ben samen met [medeverdachte 1] op de fatbike weggereden. Ik heb de fatbike uiteindelijk meegenomen en bij mij in de gang neergezet.

2 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 september

2024, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024239345 d.d. 6 november 2024, inhoudende als verklaring van

[slachtoffer 2] :

Op 1 september 2024 werd ik gebeld door mijn dochter, [slachtoffer 1] . Zij vertelde mij dat haar fatbike was weggenomen. [slachtoffer 1] vertelde mij dat ze in de [straatnaam] was toen twee meiden op haar fatbike stapten en daarmee wegreden. Zij noemde de namen [medeverdachte 1] en [verdachte] . Op 2 september 2024 ben ik naar het huisadres van [verdachte] gegaan. Ik keek door de brievenbus in de voordeur en zag de fatbike van mijn dochter staan.

3 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte d.d. 5 november 2024, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1] :

In de stad Groningen kwamen wij [slachtoffer 1] tegen, die van de fatbike. Ik vroeg of ik een rondje op haar fatbike mocht fietsen. Dat mocht van haar. Toen gingen we een rondje door de stad. Ik was samen met [verdachte] . [verdachte] zei tegen mij: “Kom we gaan de fatbike stelen.” Toen gingen we op de fatbike weg.

Ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en verdachte de fatbike aanvankelijk rechtmatig onder zich hebben gekregen. Verdachte en [medeverdachte 1] zijn vervolgens de feitelijke heerschappij over de fatbike gaan uitoefenen door met die fatbike langere tijd door Groningen te rijden. Verdachte heeft de fatbike daarna uiteindelijk meegenomen naar haar woning en de fatbike in de gang van haar woning gestald. Dat verdachte door aldus te handelen kennelijk het doel en opzet heeft gehad om zich de fatbike toe te eigenen blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 1] . Zij heeft immers verklaard dat verdachte op enig moment heeft geopperd de fatbike te stelen. Omdat de fatbike door het handelen van verdachte niet aan zijn bestemming is onttrokken - er kon immers nog steeds op de fatbike worden gefietst - kan het handelen van verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet worden gekwalificeerd als het wegmaken van de fatbike als bedoeld in artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht. Omdat verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm, zonder daartoe gerechtigd te zijn, wel als heer en meester over de fatbike is gaan beschikken kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde verduistering.

parketnummer 18.020418.25

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 september 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 oktober

2024, opgenomen op pagina 46 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024323202 d.d. 3 januari 2025, inhoudende de verklaring van

[slachtoffer 8] ;

3 een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 31 oktober

2024, opgenomen op pagina 155 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 9] ;

4 een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 oktober

2024, opgenomen op pagina 115 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 10] ;

5 een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 oktober

2024, opgenomen op pagina 128 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 11] ;

6 een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 november 2024, opgenomen op pagina 164 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 12] ;

7 een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 november 2024, opgenomen op pagina 187 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 13] ;

8 een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 november 2024, opgenomen op pagina 202 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 14] ;

9 een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 oktober

2024, opgenomen op pagina 25 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] ;

Bewijsoverwegingen

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank onderkent dat de pleegdatum een kernbestanddeel van de tenlastelegging is en essentieel is met het oog op de informatiefunctie van de dagvaarding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de tenlastelegging, ondanks de kennelijke vergissing wat betreft de pleegdatum, in de onderliggende zaak voldaan aan die informatiefunctie. Uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting en ten overstaan van de politie blijkt immers dat zij wist welk verwijt haar onder parketnummer 18.020418.25 onder 1 en 2, het derde gedachtestreepje, werd gemaakt. Verdachte heeft deze feiten bekend en geen blijk gegeven van enige verwarring omtrent de vraag welk verwijt de officier van justitie aan haar heeft gemaakt. Uit de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden volgt dat verdachte door een wijziging in de bewezenverklaring van de datum niet in haar verdediging is geschaad.1 Dit brengt mee dat de rechtbank de tenlastelegging voor zover aan verdachte ten laste is gelegd dat zij samen met anderen op 23 oktober 2024 [slachtoffer 7] heeft opgelicht en van die [slachtoffer 7] middels een valse sleutel een geldbedrag heeft weggenomen - verbeterd leest.

Medeplegen

Met betrekking tot het onder parketnummer 18.020418.25 onder 1 en 3 ten laste gelegde medeplegen overweegt de rechtbank voorts het volgende. Deze wijze van oplichting, waarbij aangevers telefonisch worden benaderd door personen die zich voordoen als bankmedewerkers om zodoende de beschikking te krijgen over bankpassen en pincodes en daarmee te pinnen, vergt een planmatige aanpak waarbij sprake is van een intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen.

Verdachte heeft verklaard dat zij opdracht kreeg om enveloppen met bankpassen op te halen en te pinnen. Veelal noemde verdachte daarbij een code die zogenaamd moest matchen met de code die de benadeelde had gehoord van één van de medeverdachten, hetgeen eveneens nauwe afstemming vergt. Verdachte is daarmee als schakel onmisbaar geweest om het oplichtingsdelict en de gekwalificeerde diefstal tot een voltooiing te brengen en had in dit samenwerkingsverband haar eigen taak, namelijk het ophalen van de bankpas, het kopen van cadeaukaarten en het pinnen van contant geld. Verdachte moest op de juiste tijd op de juiste plaats zijn om een pinpas mee te nemen en de buit nadien (deels) afgeven aan de mededaders. Onder andere de korte tijd tussen het telefoongesprek en het ophalen van de bankpassen van aangevers wijst erop dat verdachte in nauw contact stond met haar mededaders en nauw met hen samenwerkte. De rol van verdachte is dan ook van cruciaal en voldoende gewicht geweest om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten.

parketnummer 18.087759.26

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder parketnummer 18.087759.26 onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 september 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 november

2024, opgenomen op pagina 31 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025057181 d.d. 20 oktober 2025, inhoudende de verklaring van

[slachtoffer 4] ;

3 een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 februari 2025, opgenomen op pagina 108 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 15] ;

4 een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 maart 2025, opgenomen op pagina 232 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 16] ;

5 een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 maart 2025, opgenomen op pagina 115 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 17] ;

6 een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 maart 2025, opgenomen op pagina 148 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van

[slachtoffer 18] ;

7 een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 31 mei 2025, opgenomen op pagina 190 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van

[slachtoffer 5] .

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het onder 3 primair, 4 primair en 5 primair ten laste gelegde

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat op 28 februari 2025 en 5 maart 2025 verschillende (grote) geldbedragen naar bankrekeningen op naam van verdachte zijn overgemaakt, afkomstig van [slachtoffer 15] , [slachtoffer 16] en [slachtoffer 17] . Verdachte heeft daarover ter terechtzitting verklaard dat zij haar bankrekeningen ter beschikking heeft gesteld aan een ander, te weten [nickname] (fonetisch), en de bijbehorende bankpassen en pincodes aan [nickname] heeft afgegeven. Verdachte heeft voorts verklaard dat [nickname] heeft beloofd dat er niets zou gebeuren en er enkel geldbedragen afkomstig van crypto op de bankrekeningen zouden worden overgemaakt. Verdachte heeft tot slot verklaard dat zij op haar online bankomgeving en per mail heeft gezien dat er daadwerkelijk (grote) geldbedragen naar haar bankrekeningen werden overgemaakt en vervolgens geldbedragen van die bankrekeningen werden gepind. Gelet op de inhoud van de aangiftes stelt de rechtbank vast dat de door verdachte ontvangen geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn.

Opzet- dan wel schuldwitwassen

De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzet-dan wel schuldwitwassen. Verdachte heeft ontkend dat zij wist dat de naar haar bankrekeningen overgemaakte geldbedragen afkomstig waren van enig misdrijf. De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de criminele herkomst van de naar haar bankrekeningen overgemaakte geldbedragen, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 3 primair, 4 primair en 5 primair impliciet primair ten laste gelegde opzetwitwassen ex artikel 420bis Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Voor schuldwitwassen is vereist dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet het gaan om grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid ten aanzien van de herkomst van het geld. Daarvan is sprake indien een verdachte bij enig nadenken over hem bekende gegevens betreffende het geld had kunnen vermoeden dat het geld van misdrijf afkomstig was en zij zonder nader onderzoek naar de herkomst van het geld niet had mogen handelen zoals zij heeft gedaan. Wat van een verdachte omtrent de in acht te nemen voorzichtigheid mag worden verwacht, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Verdachte heeft haar bankrekeningen ter beschikking gesteld en haar bankpassen met bijbehorende pincodes afgestaan. Verdachte heeft ook verklaard dat het de bedoeling is geweest dat zij hiervoor een vergoeding zou krijgen. Ook heeft verdachte op haar online bankomgeving gezien dat er grote geldbedragen naar haar bankrekeningen werden overgemaakt, deze geldbedragen vervolgens contant werden opgenomen en zij [nickname] toen niet meer geloofde. De verdachte had bij enig nadenken over deze gang van zaken kunnen en moeten vermoeden dat de geldbedragen geen legale herkomst hadden, te meer nu de persoon aan wie zij haar bankrekeningen ter beschikking heeft gesteld ook de persoon is geweest voor wie verdachte bij verschillende personen de middels oplichting verkregen bankpassen is gaan ophalen en aan wie zij de weggenomen geldbedragen (deels) heeft afgestaan.

Uit hetgeen hiervoor reeds overwogen blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook dat van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de perso(o)n(en) ten behoeve van wie zij haar bankrekeningen ter beschikking heeft gesteld sprake is geweest.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het onder 3 primair, 4 primair en 5 primair impliciet subsidiair ten laste gelegde medeplegen van schuldwitwassen ex artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 7 primair ten laste gelegde

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1 De door verdachte op de terechtzitting van 11 september 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb de banden van de fiets lek gestoken. Tegelijkertijd hield [medeverdachte 2] de fiets vast. Wij hebben met ons tweeën de fiets vernield. Ik heb ook de kabels van de fiets doorgesneden.

2 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 maart 2025,

opgenomen op pagina 396 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024239345 d.d. 6 november 2024, inhoudende als verklaring van

[slachtoffer 6] :

Ik zit op [locatie 1] aan de [adres 2] te Groningen. Op 27 maart 2025 ben ik naar de fietsenstalling van school gegaan om mijn fiets te pakken. Ik heb een elektrische damesfiets. Ik zag dat mijn fiets op de grond lag. In de fietsenstalling stond dezelfde groep, alleen zonder [medeverdachte 2] en [verdachte] . Ik zag dat mijn banden lek waren en de kabels van de fietscomputer waren doorgesneden.

3 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 26 juni 2025, opgenomen op pagina 424 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :

Op 27 maart 2025 keek ik vanuit [locatie 2] . Ik zag dat drie meiden naar de fietsenstalling liepen. Ik zag dat de twee meiden die ik heb beschreven naar de fietsenstalling liepen waar de leerlingen hun fietsen stallen. Ik zag dat meid (1) naar een fiets liep en met een mes in een achterband stak. Ik zag dat het een damesfiets was. Ik zag dat meid (1) en meid (2) gericht naar een fiets liepen.

Bewijsoverwegingen

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Door de verdediging is betoogd dat de verdachte van het onder parketnummer 18-087759-26 onder 7 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat de geweldpleging niet in de openlijkheid zou hebben plaatsgevonden zoals bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank stelt voorop dat wat betreft het bestanddeel openlijk in artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht het er in de kern om gaat dat de geweldpleging zich op zodanige wijze en op een zodanige plaats moet hebben voltrokken dat de openbare orde is verstoord. Of van openlijkheid zoals bedoeld in artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht sprake is, is mede afhankelijk van het antwoord op de vraag of bij de geweldpleging in zekere zin willekeurig publiek aanwezig was of had kunnen zijn. Deze (mogelijke) aanwezigheid van publiek verdient in het bijzonder aandacht als het gaat om geweldpleging op plaatsen die niet voor eenieder toegankelijk zijn. Voorts kan de mate van verstoring van de normale gang van zaken van belang zijn.2

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de opgenomen bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de door verdachte en [medeverdachte 2] gepleegde geweldshandelingen zijn gepleegd in de fietsenstalling van een middelbare school en dat die fietsenstalling voor de leerlingen van de [school] , een grote middelbare school, vrij toegankelijk was. Op het moment dat aangeefster haar fiets aantreft staat er ook een groep van meerdere personen in de fietsenstalling. Voorts blijkt uit de verklaring van getuige [getuige] dat de geweldshandelingen ook van buiten de fietsenstalling waarneembaar zijn geweest.

Gelet op het voorgaande staat voor de rechtbank vast dat de geweldpleging in de openbaarheid heeft plaatsgevonden. De geweldpleging heeft zich immers op zodanige wijze en op een zodanige plaats voltrokken dat de openbare orde is verstoord. Daarbij is eveneens van belang dat bij de geweldpleging willekeurig publiek aanwezig is geweest. Daarmee is het verweer verworpen en komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder parketnummer

18-087759-26 onder 7 primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder het onder parketnummer 18.360282.24 subsidiair ten laste gelegde, het onder parketnummer 18.020418.25 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde en het onder parketnummer 18.087759.26 onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 en 7 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

parketnummer 18-360282-24

zij op 1 september 2024 te Groningen opzettelijk een fatbike, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als geleend, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

parketnummer 18.020418.25

1.

zij op meerdere tijdstippen in de periode van 15 oktober 2024 tot en met 14 november 2024 te Groningen en/of [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels,

op 15 oktober 2024, [slachtoffer 8] en
op 21 oktober 2024 [slachtoffer 9] en
op 24 oktober 2024 [slachtoffer 7] en
op 28 oktober 2024 [slachtoffer 11] en
op 29 oktober 2024 [slachtoffer 12] en
op 4 november 2024 [slachtoffer 13] en
op 14 november 2024 [slachtoffer 14]

hebben bewogen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten afgifte van meerdere bankpassen en pincodes, door met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid meermalen,

telefonisch contact te zoeken met voornoemde slachtoffers en zich daarbij voor te doen als medewerker van een bank met de mededeling dat er geld van zijn/haar/hun rekening is gehaald en
om vervolgens naar zijn/haar pincode en/of persoonlijke gegevens te vragen en
naar de woning van voornoemde slachtoffers te gaan en zich voor te doen als koerier, althans medewerker van de bank, en
voornoemde slachtoffers te verzoeken om zijn/haar/hun bankpassen af te geven, waardoor voornoemde slachtoffers bewogen zijn tot bovenomschreven afgifte;

2.

zij op meerdere tijdstippen in de periode van 15 oktober 2024 tot en met 14 november 2024 te Groningen en/of [plaats] , telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere geldbedragen, toebehorende aan anderen dan aan haar, verdachte, waarbij zij, verdachte, zich telkens de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen geldbedragen telkens onder

haar bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, te weten bankpassen en bijbehorende pincodes, tot het gebruik waarvan verdachte niet gerechtigd, gemachtigd of bevoegd was, te weten:

- op 15 oktober 2024 diverse geldbedragen, toebehorende aan [slachtoffer 8] en

- op 21 oktober 2024 diverse geldbedragen (van in totaal 500,-) toebehorende aan [slachtoffer 9] en

- op 24 oktober 2024 een geldbedrag (van in totaal 500,-) toebehorende aan [slachtoffer 7] en

- op 28 oktober 2024 diverse geldbedragen (van in totaal 900,-) toebehorende aan [slachtoffer 11] en

- op 29 oktober 2024 diverse geldbedragen (van in totaal 600,-) toebehorende aan [slachtoffer 12] en

- op 4 november 2024 diverse geldbedragen (van in totaal 850,-) toebehorende aan [slachtoffer 13] en

- op 14 november 2024 een geldbedrag (van in totaal 430,-) toebehorende aan [slachtoffer 14] ;

3.

zij op 20 september 2024 te Groningen, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en haar mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld, toebehorende aan [slachtoffer 3] , waarbij zij, verdachte, heeft geprobeerd dat weg te nemen geldbedrag onder haar bereik te brengen door middel van een valse sleutel, te weten van een bankpas en een bijbehorende pincode, tot het gebruik waarvan verdachte niet gerechtigd, gemachtigd of bevoegd was, met deze pinpas en bijbehorende code goederen heeft willen afrekenen bij Coolblue, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

parketnummer 18-087759-26

1.

zij op 7 november 2024 te Winsum, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een pinpas, en het ter beschikking stellen van gegevens, door

- telefonisch contact op te nemen met die [slachtoffer 4] en

- zich voor te doen als medewerker van de Rabobank en

- aan die [slachtoffer 4] te vragen of zij 700 euro had besteed in winkels in de stad Leeuwarden en

- aan die [slachtoffer 4] weten te vertellen dat zij ongeveer 9000 euro op haar bankrekening had staan en

- tegen die [slachtoffer 4] te zeggen dat ze voor de veiligheid haar pas mee zouden willen nemen en

- tegen die [slachtoffer 4] te zeggen dat de politie het erg druk had en te vragen of die [slachtoffer 4] het prettig zou vinden als een vrouwelijke collega de pas kwam ophalen en

- tegen die [slachtoffer 4] te zeggen dat ze haar pinpas moest doorknippen en in een envelop mee te geven aan de vrouw die aan de deur zou komen en het herkenningsnummer zou noemen en

- aan de deur bij die [slachtoffer 4] te verschijnen en het herkenningsnummer te noemen en

- de pinpas van die [slachtoffer 4] in ontvangst te nemen;

2.

zij op 7 november 2024 te Winsum, tezamen en in vereniging met anderen, meerdere geldbedragen (te weten: vier keer 150,-), die aan [slachtoffer 4] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en haar mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen geldbedragen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door meermalen te pinnen met door oplichting verkregen pinpas;

3.

zij op 27 februari 2025 te Groningen en/of [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag van in totaal 4,10, heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl zij en haar mededaders redelijkerwijs moesten vermoeden dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;

4.

zij op 5 maart 2025 te Groningen, tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag van 5.000,-, heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl zij en haar mededaders, redelijkerwijs moesten vermoeden dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;

5.

zij op 5 maart 2025 te Groningen en/of Amsterdam en/of Rockanje, tezamen en in vereniging met anderen, meerdere geldbedragen, te weten:

- 949,69 en 600,- euro en 949,69 en 950,- en 600,-

- 950,-

in totaal te weten ongeveer 4.999,38, heeft verworven, voorhanden gehad en omgezet, terwijl zij en haar mededaders redelijkerwijs moesten vermoeden dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf;

6.

zij op 23 mei 2025 te Groningen geldbedragen, te weten:

- 1.199,- euro en

- 31,50 euro, die aan [slachtoffer 5] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door meermalen te pinnen met een door oplichting verkregen pinpas;

7.

zij op 27 maart 2025 te Groningen, in de fietsenstalling van [locatie 1] gelegen aan de [adres 2] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen, te weten een fiets welk in vereniging gepleegd geweld bestond uit

- gezamenlijk de fiets in de fietsenstalling op te zoeken en

- de fiets vast te houden en de banden van die fiets lek te steken en de kabels van die fiets

door te snijden.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

parketnummer 18-360282-24

subsidiair verduistering;

parketnummer 18.020418.25

1 medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

2 diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

3 poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

parketnummer 18-087759-26

1 primair medeplegen van oplichting;

2 diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

3 primair medeplegen van schuldwitwassen;

4primair medeplegen van schuldwitwassen;

5 primair medeplegen van schuldwitwassen;

6 diefstal, waarbij de schuldige de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

7 primair openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden berecht volgens het jeugdstrafrecht. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 18.020418.25 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde, het onder parketnummer 18-360282-24 primair ten laste gelegde en het onder parketnummer

18-087759-26 onder 1 primair, 2, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair, 6 en 7 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 150 uren en een jeugddetentie voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft gevorderd aan de voorwaardelijk op te leggen jeugddetentie de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen en bepleit aan verdachte op te leggen een deels voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van aanzienlijke duur. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de raadsvrouw bepleit aan verdachte geen (voorwaardelijke) jeugddetentie op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het advies van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 3 september 2026, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in de periode van 1 september 2024 tot en met 23 mei 2025, al dan niet samen met anderen, schuldig gemaakt aan een groot aantal strafbare feiten. Op 1 september 2024 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van een fatbike en op 27 maart 2025 aan openlijke geweldpleging door van een elektrische fiets een band lek te steken en kabels door te snijden. Door aldus te handelen heeft verdachte geen respect getoond voor de spullen van anderen. Dergelijke strafbare feiten versterken daarnaast de in de maatschappij bestaande gevoelens van onrust, angst en onveiligheid.

Voorts heeft verdachte zich op 20 september 2024, 23 mei 2025 en in de periode van 15 oktober 2024 tot en met 14 november 2025, al dan niet samen met anderen, schuldig gemaakt aan bankhelpdeskfraude en (een poging tot) gekwalificeerde diefstallen. Bij de bankhelpdeskfraude werden de slachtoffers telefonisch benaderd door een persoon die zich voordeed als bankmedewerker en die de slachtoffers wijs maakte dat hun banktegoed(en) gevaar liep(en). De veelal op leeftijd zijnde slachtoffers werden vervolgens op geraffineerde wijze gemanipuleerd zodat zij hun tegoeden overboekten of hun bankpassen en pincodes af

zouden geven aan verdachte, die zich eveneens voordeed als beveiligings- of bankmedewerker. Verdachte heeft vervolgens met de bankpassen en pincodes van de slachtoffers grote contante geldbedragen opgenomen, cadeaukaarten gekocht en andere goederen afgerekend.

De verdachte en haar medeverdachten hebben op een georganiseerde en doortrapte wijze misbruik gemaakt van het gewekte vertrouwen bij de kwetsbare, vaak oudere en digitaal niet weerbare, slachtoffers. Uit het dossier en de (onderbouwing van de) ingediende vorderingen is gebleken dat dit soort feiten de slachtoffers niet alleen in, op grove wijze, financiële zin treft, maar ook dat hun gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens ernstig is aangetast en voor gevoelens van schaamte, stress en angst heeft gezorgd. Daarnaast is bankhelpdeskfraude een misdrijf dat het vertrouwen ondermijnt dat rekeninghouders in het algemeen in het betalingsverkeer en het bankwezen mogen hebben. Dit vertrouwen is van groot belang voor het maatschappelijk en economisch verkeer. Ook leidt bankhelpdeskfraude tot hoge kosten voor de banken die onderzoek doen naar de fraude en/of de slachtoffers schadeloos stellen.

Tot slot heeft verdachte zich in de periode van 27 februari 2025 tot en met 5 maart 2025 schuldig gemaakt aan het medeplegen van schuldwitwassen door haar bankrekeningen ter beschikking te stellen en haar bankpassen en pincodes af te geven. Verdachte heeft hiermee een bijdrage geleverd aan het wegsluizen en omzetten van crimineel geld. Met het witwassen van criminele gelden probeert men door misdrijf verkregen geld in het legale circuit te brengen en de onderliggende strafbare feiten af te dekken. Dit maakt het voortbestaan van verschillende vormen van criminaliteit mogelijk en werkt in de hand dat misdaad lonend wordt gemaakt. De verdachte heeft zich ten tijde van het plegen van voornoemde strafbare feiten geenszins bekommerd om de gevolgen van haar handelen. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan. In strafmatigende zin weegt de rechtbank mee dat verdachte ter terechtzitting in grote mate openheid van zaken heeft gegeven en verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar handelen.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) overgelegde advies van 3 september 2026. De Raad schrijft dat verdachte een belast verleden kent en mede als gevolg van gedragsproblematiek van 2019 tot en met 2025 onder toezicht heeft gestaan van [instelling 1] . Inmiddels is verdachte moeder geworden en lijkt zij zich volledig te richten op de zorg voor haar kind. Omdat de jeugdreclassering grote zorgen heeft over de invloed van de vader van het kind op verdachte en er in verband met huiselijk geweld meerdere meldingen zijn gedaan bij Veilig Thuis, is er verzocht een beschermtafel te organiseren en is er een spoedmelding gedaan bij het [instelling 2] .

Omdat er door de Raad voldoende pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden worden gezien, waarbij gezinshulpverlening van meerwaarde is en er ingezet dient te worden op de schoolgang, adviseert de Raad ook voor die feiten ten tijde waarvan verdachte reeds meerderjarig was het jeugdstrafrecht toe te passen. De Raad vindt het daarnaast van belang dat er toezicht en begeleiding vanuit de jeugdreclassering geboden blijft worden. Op dit moment staat verdachte in goed contact met de op vrijwillige basis betrokken jeugdreclassering.

Omdat een onvoorwaardelijke jeugddetentie het leven van verdachte zou ontregelen, niet in het belang van de verdere ontwikkeling van verdachte is en een negatieve invloed zou kunnen hebben op het recidiverisico, adviseert de Raad aan verdachte een werkstraf op te leggen. Daarnaast adviseert de Raad aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, onder de algemene voorwaarde dat verdachte voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten meer zal plegen, meewerkt aan hulpverlening van [instelling 2] , meewerkt aan een positieve dag- en vrijetijdsbesteding, verdachte onderwijs volgt of een zinvolle dagbesteding heeft en zich houdt aan de aanwijzingen en voorschriften van

de jeugdreclassering. Tot slot adviseert de Raad de voorwaardelijk aan verdachte opgelegde werkstraf ten uitvoer te leggen.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor openlijke geweldpleging.

Jeugdstrafrecht

Uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. Krachtens artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechtbank - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren doch niet die van 23 jaren heeft bereikt recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte de onder parketnummer 18.087759.26 onder 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 en 7 primair bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd toen zij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. Gelet op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ook ten aanzien van voornoemde bewezen verklaarde feiten op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen.

Strafoplegging

Alles afwegend legt de rechtbank aan verdachte op een onvoorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren. Om de ernst van de strafbare feiten te benadrukken en verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen zal de rechtbank daarnaast aan verdachte opleggen een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 3 (drie) maanden met een proeftijd van 2 (twee) jaren. De rechtbank volgt daarmee de eis van de officier van justitie.

Benadeelde partijen

Ten aanzien van parketnummer 18.020418.25 het onder 1 en 2 ten laste gelegde

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

1 [slachtoffer 8], tot een bedrag van 3.289,00 ter zake van materiële schade en 1.000,00

ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

2 [ [slachtoffer 14], tot een bedrag van 430,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

2 [ [slachtoffer 9], tot een bedrag van 500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Ten aanzien van parketnummer 18.020418.25 het onder 3 ten laste gelegde

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 2.799,79 ter zake van materiële schade en 100,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Ten aanzien van parketnummer 18.087759.26 het onder 4 ten laste gelegde

[slachtoffer 16] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 2.102,30 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Ten aanzien van parketnummer 18.087759.26 het onder 7 ten laste gelegde

[slachtoffer 6] , wettelijk vertegenwoordigd door R. [slachtoffer 6] , heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 150,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 16] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 14] en [slachtoffer 8] voldoende zijn onderbouwd en voor toewijzing vatbaar zijn, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij

[slachtoffer 6] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de door de benadeelde partij bijgevoegde factuur dateert van 25 mei 2025 en bovendien enkel vermeld dat er schade is aan de spaken en dat de velg van de fiets is gerepareerd. Naar het oordeel van de officier van justitie is het causale verband tussen het ten laste gelegde feit en de gestelde geleden schade onvoldoende onderbouwd.

Tot slot heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat ook de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat het ten laste gelegde feit een strafbaar feit betreft dat niet is voltooid en door het ten laste gelegde feit geen rechtstreekse schade is toegebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 16] - voor zover zij vergoeding van materiële schade hebben gevorderd - bepleit dat voornoemde benadeelde partijen niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vordering. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de vorderingen enige tijd geleden zijn ingediend en niet duidelijk is geworden in hoeverre de gestelde geleden schade in de tussentijd is vergoed, bijvoorbeeld door de bank.

Nu naar het oordeel van de raadsvrouw niet is komen vast te staan dat verdachte ook verantwoordelijk is te houden voor de pintransacties bij de geldautomaat aan de Kerklaan te Groningen heeft de raadsvrouw zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] subsidiair op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag aan materiële schade dient te worden gematigd tot 1.389,00.

Voor zover door de benadeelde partijen [slachtoffer 8] en [slachtoffer 3] ook vergoeding van immateriële schade is gevorderd heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de gestelde aantasting in de persoon op andere wijze ontoereikend is gemotiveerd en de benadeelde partijen ook in zoverre niet ontvankelijk dienen te worden verklaard. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [slachtoffer 9] gevorderde immateriële schade voldoende is onderbouwd en voor toewijzing vatbaar is.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] heeft de raadsvrouw tot slot bepleit dat de benadeelde partijen niet ontvankelijk dienen te worden verklaard. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat het causale verband tussen de ten laste gelegde feiten en de gestelde geleden schade onvoldoende is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van parketnummer 18.020418.25 het onder 1 en 2 ten laste gelegde

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]

De benadeelde partij heeft onder meer vergoeding van materiële schade gevorderd. De gevorderde materiële schade, groot 3.289,00, bestaat uit de middels pintransacties weggenomen geldbedragen en de waarde van de weggenomen iPad. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade als gevolg van de middels pintransacties weggenomen geldbedragen, groot 2.289,00, heeft geleden en de schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18.020418.25 onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De vordering zal in zoverre daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 oktober 2024.

Voor zover materiële schadevergoeding is gevorderd voor de weggenomen iPad, groot

1.000,00, is de rechtbank van oordeel dat de gestelde materiële schade onvoldoende is onderbouwd met stukken die de waarde van de betreffende iPad aantonen. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in zoverre niet ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd, groot

1.000,00. In het geval geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals hier aan de orde, kan op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn, bijvoorbeeld aangetoond met een verklaring van een psycholoog. Gevoelens van angst, wantrouwen en onzekerheid vallen niet onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Gelet op dit juridisch kader is hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld - hoe invoelbaar zijn gevoelens ook zijn - ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon op andere wijze. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd. De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal in zoverre daarom niet ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 14]

De benadeelde partij heeft vergoeding van materiële schade gevorderd. De gevorderde materiële schade, groot 430,00, bestaat uit de middels pintransacties weggenomen geldbedragen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18.020418.25 onder 1 en 2 bewezen verklaarde. Nu geenszins is gebleken dat (een deel van) de geleden schade reeds is vergoed of de benadeelde partij schadeloos is gesteld, zal de rechtbank de vordering in zijn geheel toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 november 2024.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9]

De benadeelde partij heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd, groot 500,00.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18.020418.25 onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De vordering,

waarvan de hoogte niet door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 oktober 2024.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van parketnummer 18.020418.25 het onder 3 ten laste gelegde

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft vergoeding van materiële schade, groot 2.799,79, en vergoeding van immateriële schade, groot 100,00, gevorderd. De gevorderde materiële schade, groot

2.799,79, bestaat uit middels pintransacties weggenomen geldbedragen. Nu ten laste is gelegd en bewezen is verklaard dat verdachte middels een valse sleutel heeft geprobeerd geld weg te nemen, maar dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, is naar het oordeel van de rechtbank aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde geen rechtstreekse materiële of immateriële schade toegebracht. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk is. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van parketnummer 18.087759.26 het onder 4 ten laste gelegde

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 16]

De benadeelde partij heeft vergoeding van materiële schade gevorderd. De gevorderde materiële schade, groot 2.102,30, bestaat uit het naar de bankrekening van verdachte overgemaakte en door verdachte verworven geldbedrag, minus het geldbedrag dat door de bank van verdachte is teruggestort op de bankrekening van de benadeelde partij. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18.087758.26 onder 4 primair bewezen verklaarde. Nu geenszins is gebleken dat een groter geldbedrag dan de reeds aan de benadeelde geretourneerde 2.897,70 is teruggestort of de benadeelde partij voor een groter bedrag schadeloos is gesteld, zal de rechtbank de vordering in zijn geheel toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 maart 2025.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van parketnummer 18.087759.26 het onder 7 ten laste gelegde

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

De benadeelde partij heeft vergoeding van materiële schade gevorderd. De gevorderde materiële schade, groot 150,00, bestaat uit schade aan de fiets van de benadeelde partij.

De door de benadeelde partij bijgevoegde factuur dateert van 25 mei 2025, terwijl de bewezen verklaarde openlijke geweldpleging ruim twee maanden eerder, op 27 maart 2025, heeft plaatsgevonden. De bijgevoegde factuur vermeld voorts de kosten die zijn gemaakt voor het repareren van schade aan de spaken en velg van de fiets. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat de schade aan de band en de kabels van de fiets ter plaatse zijn gerepareerd.

Naar het oordeel van de rechtbank is het causale verband tussen het bewezen verklaarde en de gestelde geleden schade onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk is. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 31 oktober 2022, gewezen door de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een werkstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 15 november 2022 en geëindigd op 13 november 2024.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 3 juli 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf. De hiervoor onder parketnummer 18.020418.25 onder 1, 2 en 3, parketnummer 18-360282-24 primair en parketnummer 18.087759.26 onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, dat wil zeggen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van 31 oktober 2022 voorwaardelijk opgelegde werkstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 30 uren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 311, 321, 326 en 420quatr van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18.360282.24 primair is ten laste gelegde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 18.360282.24 subsidiair ten laste gelegde het onder parketnummer 18.020418.25 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde en het onder parketnummer 18.087759.26 onder 1

primair, 2, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 en 7 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:

- dat de veroordeelde gedurende proeftijd meewerkt aan hulpverlening van [instelling 2] of een door de

jeugdreclassering aan te wijzen instelling, voor zover en zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt;

dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan een positieve dag- en vrijetijdsbesteding;
dat de veroordeelde gedurende de proeftijd onderwijs volgt en/of een andere zinvolle dagbesteding

heeft;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen en voorschriften van de

jeugdreclassering;

Geeft aan [instelling 1] en Veilig Thuis te Groningen opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 150 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 75 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Ten aanzien van parketnummer 18.020418.25 het onder 1 en 2 bewezenverklaarde

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 8] te betalen:

het bedrag van 2.289,00 (zegge: tweeduizend tweehonderdnegenentachtig euro);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Verklaart de vordering van [slachtoffer 8] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 8] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.289,00 (zegge: tweeduizend tweehonderdnegenentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat geen gijzeling kan worden toegepast.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 14]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 14] te betalen:

het bedrag van 430,00 (zegge: vierhonderddertig euro);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 november 2024 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 14] aan de Staat te betalen een bedrag van 430,00 (zegge: vierhonderddertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2024. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat geen gijzeling kan worden toegepast.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 14] te betalen:

het bedrag van 500,00 (zegge: vijfhonderd euro);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 9] aan de Staat te betalen een bedrag van 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat geen gijzeling kan worden toegepast.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van parketnummer 18.020418.25 het onder 3 bewezenverklaarde

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Verklaart de vordering van niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij zijn eigen proceskosten draagt.

Ten aanzien van parketnummer 18.087759.26 het onder 4 bewezenverklaarde

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 16]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 14] te betalen:

- het bedrag van 2.102,30 (zegge: tweeduizend honderdtwee euro en dertig eurocent);

de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 maart 2025 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 16] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.102,30 (zegge: tweeduizend honderdtwee euro en dertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat geen gijzeling kan worden toegepast.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van parketnummer 18.087759.26 het onder 7 primair bewezenverklaarde

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

Verklaart de vordering van niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij haar eigen proceskosten draagt.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18-205652-21:

Gelast de tenuitvoerlegging van de werkstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen d.d. 31 oktober 2022, te weten: een werkstraf voor de duur van 30 uren.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. A. de Jong en mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door mr. M. Mans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 oktober 2026.

mr. M. van der Veen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Parketnummer 18-360282-24

zij op of omstreeks 1 september 2024 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander

toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of weggemaakt;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 1 september 2024 te Groningen opzettelijk een fatbike, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als geleend, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Parketnummer 18.020418.25

1.

zij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 oktober 2024 tot en met 14 november 2024 te Groningen en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

op 15 oktober 2024, [slachtoffer 8] (aangifte pag 46) en/of
op 21 oktober 2024 [slachtoffer 9] (aangifte pag 155)
op 23 oktober 2024 [slachtoffer 7] (aangifte pag 115) en/of
op 28 oktober 2024 [slachtoffer 11] (aangifte pag.128) en/of
op 29 oktober 2024 [slachtoffer 12] (aangifte pag 164 )en/of
op 4 november 2024 [slachtoffer 13] (aangifte pag 187) en/of
op 14 november 2024 [slachtoffer 14] (aangifte pag 201)

heeft/hebben bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten afgifte van een of meerdere bankpas(sen) en/of pincode(s), door met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid meermalen, althans eenmaal,

telefonisch contact te zoeken met voornoemde slachtoffer(s) en zich daarbij voor te doen als medewerker van een bank met de mededeling dat er geld van zijn/haar/hun rekening is gehaald en/of
om vervolgens naar zijn/haar pincode en/of persoonlijke gegevens te vragen en/of
naar de woning van voornoemde slachtoffer(s) te gaan (en zich voor te doen als koerier, althans medewerker van de bank) en/of
voornoemde slachtoffer(s) te verzoeken om zijn/haar/hun bankpas(sen) en af te geven, waardoor voornoemde slachtoffer(s) bewogen is/zijn tot bovenomschreven afgifte;

2.

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 oktober 2024 tot en met 14 november 2024 te Groningen en/of [plaats] , althans in Nederland, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meerdere geldbedrag(en), elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag(en) /goed(eren) (telkens) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten (een)

bankpas(sen) en (een) bijbehorende pincode(s), tot het gebruik waarvan verdachte niet gerechtigd en/of gemachtigd en/of bevoegd was, te weten:

op 15 oktober 2024 diverse geldbedragen (van in totaal 2389,--) toebehorende aan [slachtoffer 8] en/of
op 21 oktober 2024 diverse geldbedragen (van in totaal 500,--) toebehorende aan [slachtoffer 9] en/of
op 23 oktober 2024 een geldbedrag (van in totaal 500,--) toebehorende aan [slachtoffer 7] en/of
op 28 oktober 2024 diverse geldbedragen (ter waarde van in totaal 900) toebehorende aan [slachtoffer 11] en/of
op 29 oktober 2024 diverse geldbedragen (in totaal ter waarde van 600) toebehorende aan [slachtoffer 12] en/of
op 4 november 2024 diverse geldbedragen (ter waarde van 850) toebehorende aan [slachtoffer 13] en/of
op 14 november 2024 een geldbedrag (van in totaal 430) toebehorende aan [slachtoffer 14] ;

3.

zij op of omstreeks 20 september 2024 te Groningen, althans in Nederland, tezamen en in

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld, in elke geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval ander of anderen dan aan verdachte en/of diens mededader, waarbij zij, verdachte heeft geprobeerd dat weg te nemen geldbedrag onder haar bereik te brengen door middel van een valse sleutel, te weten, van een bankpas en een bijbehorende pincode, tot het gebruik waarvan verdachte niet gerechtigd en/of gemachtigd en/of bevoegd was, met deze pinpas (en bijbehorende code) goederen (één of meerdere telefoons) heeft willen afrekenen bij Coolbleu,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Parketnummer 18-087759-26

1.

zij op of omstreeks 7 november 2024 te Winsum, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een pinpas, door

telefonisch contact op te nemen met die [slachtoffer 4] en/of
zich voor te doen als medewerker van de Rabobank en/of
aan die [slachtoffer 4] te vragen of zij 700 euro had besteed in winkels in de stad Leeuwarden en/of
aan die [slachtoffer 4] weten te vertellen dat zij ongeveer 9000 euro op haar bankrekening had staan en/of
tegen die [slachtoffer 4] te zeggen dat ze voor de veiligheid haar pas mee zouden willen nemen en/of
tegen die [slachtoffer 4] te zeggen dat de politie het erg druk had en te vragen of die [slachtoffer 4] het prettig zou vinden als een vrouwelijke collega de pas kwam ophalen en/of
tegen die [slachtoffer 4] te zeggen dat ze haar pinpas moest doorknippen en in een envelop mee te geven aan de vrouw die aan de deur zou komen en het herkenningsnummer zou noemen en/of
aan de deur bij die [slachtoffer 4] te verschijnen en het herkenningsnummer te noemen en/of
de pinpas van die [slachtoffer 4] in ontvangst te nemen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 7 november 2024 te Winsum,

althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

een pinpas, door

telefonisch contact op te nemen met die [slachtoffer 4] en/of
zich voor te doen als medewerker van de Rabobank en/of
aan die [slachtoffer 4] te vragen of zij 700 euro had besteed in winkels in de stad Leeuwarden en/of
aan die [slachtoffer 4] weten te vertellen dat zij ongeveer 9000 euro op haar bankrekening had staan en/of
tegen die [slachtoffer 4] te zeggen dat ze voor de veiligheid haar pas mee zouden willen nemen en/of
tegen die [slachtoffer 4] te zeggen dat de politie het erg druk had en te vragen of die [slachtoffer 4] het prettig zou vinden als een vrouwelijke collega de pas kwam ophalen en/of
tegen die [slachtoffer 4] te zeggen dat ze haar pinpas moest doorknippen en in een envelop mee te geven aan de vrouw die aan de deur zou komen en het herkenningsnummer zou noemen en/of
aan de deur bij die [slachtoffer 4] te verschijnen en het herkenningsnummer te noemen en/of
de pinpas van die [slachtoffer 4] in ontvangst te nemen

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 7 november 2024 te Winsum, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door de pinpas bij die [slachtoffer 4] op te halen en/of in ontvangst te nemen;

2.

zij op of omstreeks 7 november 2024 te Winsum, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meerdere geldbedragen (te weten: vier keer 150), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een

valse sleutel, door meermalen te pinnen met door oplichting verkregen/een onrechtmatig verkregen pinpas;

3.

zij op of omstreeks 27 februari 2025 te Groningen en/of [plaats] , althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meer voorwerp(en), te weten een geldbedrag van in totaal ongeveer 4,10, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meer onbekend gebleven personen, op of omstreeks 27 februari 2025 te Groningen en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meer voorwerp(en), te weten een geldbedrag van in totaal ongeveer 4,10, hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans

gebruik hebben gemaakt, terwijl zij wisten, dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf,

bij en/of tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 27 februari 2025 te Groningen, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven persoon/personen haar, verdachtes, bankpas en/of pincode en/of bankrekening ter beschikking te stellen;

4.

zij op of omstreeks 5 maart 2025 te Groningen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, te weten meerdere geldbedragen, te weten in totaal 10.000 (twee keer 5.000), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meer onbekend gebleven personen, op of omstreeks 5 maart 2025 te Groningen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meerdere geldbedragen, te weten in totaal 10.000 (twee keer 5.000), hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans gebruik hebben gemaakt, terwijl zij wisten, dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf,

bij en/of tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 5 maart 2025 te Groningen, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven persoon/personen, haar, verdachtes, bankpas en/of pincode en/of bankrekening ter beschikking te stellen;

5.

zij op of omstreeks 5 maart 2025 te Groningen en/of Amsterdam en/of Rockanje, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, te weten meerdere geldbedragen, te weten:

- 949,69 en/of 600 euro en/of 949,69 en/of 950 en/of 600

- 950

in totaal te weten ongeveer 4.999,38, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meer onbekend gebleven personen, op of omstreeks 5 maart 2025 te Groningen en/of Amsterdam en/of Rockanje, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, te weten meerdere geldbedragen, te weten:

- 949,69 en/of 600 euro en/of 949,69 en/of 950 en/of 600

- 950

in totaal te weten ongeveer 4.999,38, hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wisten, dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf,

bij en/of tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 5 maart 2025 te Groningen, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven persoon/personen, haar, verdachtes, bankpas en/of pincode en/of bankrekening ter beschikking te stellen;

6.

zij op of omstreeks 23 mei 2025 te Groningen geldbedragen, te weten:

1199 euro en/of
31,50 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder haar bereik heeft gebracht door middel van valse sleutel, door meermalen te pinnen met door oplichting verkregen/een onrechtmatig verkregen pinpas;

7.

zij op of omstreeks 27 maart 2025 te Groningen in de fietsenstalling van [locatie 1] (gelegen aan de [adres 2] ), in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer goederen, te weten een fiets welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit

gezamenlijk de fiets in de fietsenstalling op te zoeken en/of
de fiets vast te houden en/of de banden van die fiets lek te steken en/of de kabels van die fiets door te snijden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 27 maart 2025 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

1 Zie ook Hoge Raad 30 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3662.

2 Hoge Raad 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1008.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken