Rb. Noord-Nederland 13 februari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:407
Weigering om handhavend op te treden tegen constructieve werkzaamheden Niet is geschil is dat bij het verbouwen van het pand sprake is geweest van bouwactiviteiten als bedoeld in de Omgevingswet (Ow). Ook niet in geschil is dat bij die verbouwing wijzigingen zijn aangebracht in de draagconstructie (balken, binnenmuur en vloer). Verder is niet in geschil dat voor deze werkzaamheden onder het oude recht een vergunning was vereist op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of evenwel van handhaving zou moeten worden afgezien omdat de uitgevoerde werkzaamheden onder de Ow niet vergunningplichtig zouden zijn. Aanwijzing van vergunningplichtige bouwwerken gebeurt in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen bouwactiviteiten met betrekking tot bouwwerken mét een dak (artikel 2.25 Bbl) en zonder een dak (artikel 2.26 Bbl). Hoewel er in publicaties over de vergunningplicht – waaronder de website van het Iplo – vanuit wordt gegaan dat voor het bepalen van de vergunningplicht voor bouwactiviteiten bij verbouw moeten worden gekeken naar het onderdeel van, op of tegen het bestaande bouwwerk waar de bouwactiviteiten betrekking op hebben, vind de rechtbank daarvoor geen enkele aanwijzing in de Nota van Toelichting bij het Bbl. Er wordt, in de periode hier van belang, in de artikelen 2.25 en 2.26 van het Bbl geen onderscheid gemaakt naar onderdelen van bouwwerken. Dat onderscheid komt wel terug in (de toelichting bij) artikel 2.27 van het Bbl. Uitgaande van de letterlijke tekst van artikel 2.25 namelijk “een bouwactiviteit, voor zover die betrekking heeft op een gebouw of een ander bouwwerk met een dak”, oordeelt de rechtbank dat in dit geval artikel 2.25 van het Bbl van toepassing is. Omdat het pand een gebouw betreft dat hoger is dan 5 meter (artikel 2.25, aanhef en onder b, van het Bbl) en geen van de uitzonderingen in artikel 2.27 van het Bbl van toepassing is (mede gezien het feit dat de bouwactiviteiten zagen op wijziging van de draagconstructie), acht de rechtbank de bouwactiviteiten ook onder de Ow vergunningplichtig. In dit geval blijft dus op de sanctiebesluiten van 22 december 2023 en 18 maart 2024 het oude recht van toepassing. Gelet op deze conclusie heeft het college in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen afzien van handhaving op de grond dat onder de Ow de bouwwerkzaamheden vergunningvrij kunnen worden uitgevoerd. Het college heeft ten onrechte niet onderkend dat zij in beginsel gebruik moest blijven maken van de bevoegdheid om handhavend tegen de overtreding op te treden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit op bezwaar waarbij de last is herroepen. Met die vernietiging herleeft de eerder opgelegde last onder dwangsom. De begunstigingstermijn daarin is verlopen. Om te voorkomen dat de derde-partij direct een dwangsom verbeurt, schorst de rechtbank het besluit van 22 december 2023 tot het opleggen van de last en het wijzigingsbesluit van 18 maart 2024, tot zes weken na de nieuwe beslissing op bezwaar van het college.
De uitspraak op rechtspraak.nl