Rb. Noord-Nederland 16 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2351
Afwijzing Woo-verzoek Beroep ongegrond
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1632
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen
[naam], uit [plaats], eiser
en
Nationale Politie Landelijke Eenheid, de korpschef
(gemachtigde: mr. P.M.L. van der Schot).
Procesverloop
1 Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van het verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) dat eiser op 10 januari 2025 heeft gedaan.
1.1 Eiser heeft op grond van artikel 5.5 van de Woo verzocht om openbaarmaking van alle door het Team Bijzondere Getuigen (TBG) in Wenen met (potentiële) getuigen in de periode 1 juni 2021 tot en met 1 november 2021 gesloten overeenkomsten, contracten en schriftelijke afspraken in het algemeen en in het bijzonder waarbij een specifieke officier van justitie is betrokken. De korpschef heeft het verzoek met het besluit van 20 januari 2025 afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
1.2 Met het bestreden besluit van 7 april 2025 heeft de korpschef het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de afwijzing in stand gelaten. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.
1.3 De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4 De rechtbank heeft het beroep van eiser op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en mr. J.C.M. Robbers als gemachtigde van de korpschef. Op de zitting is gesproken over het namens de korpschef deelnemen aan de procedure door personen die hun identiteit niet kenbaar wensen te maken en het ontbreken van het dossier dat onder toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter kennisneming aan de rechtbank zou worden verstrekt. De zaak is vervolgens aangehouden en de rechtbank heeft partijen bij schrijven van 25 februari 2026 geïnformeerd over beide onderwerpen.
1.5 De behandeling van de zaak is voortgezet op de zitting van 2 april 2026. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de korpschef. Eiser was met bericht van verhindering niet aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2 De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgronden van eiser niet slagen en overweegt daartoe het volgende.
3 Op grond van artikel 5.5, eerste lid, van de Woo verstrekt een bestuursorgaan, zoals de korpschef, ‘onverminderd het elders bij wet bepaalde’ op verzoek van een natuurlijke of rechtspersoon de op die persoon betrekking hebbende in documenten neergelegde informatie, tenzij een in artikel 5.1 of artikel 5.2 genoemd belang zich daartegen verzet.
4 In de geconsolideerde artikelsgewijze toelichting bij de Woo is opgenomen: “Met de term ‘onverminderd het elders bij wet bepaalde’ wordt duidelijk gemaakt dat een andere regeling betreffende op een verzoeker betrekking hebbende gegevens voorrang heeft.” Uit deze toelichting blijkt verder dat het daarbij gaat om regelingen die de openbaarheid van informatie en de individuele verstrekking uitputtend regelen. Zo is toegelicht dat het regime van bijvoorbeeld de Wet politiegegevens (Wpg) aan de toepassing van artikel 5.5 van de Woo in de weg staat, omdat deze wet niet alleen de openbaarheid uitputtend beperkt, maar ook de individuele verstrekking.
5 De rechtbank komt gelet op de hierboven weergegeven wetsgeschiedenis tot de conclusie dat eiser met zijn verzoek op grond van artikel 5.5 van de Woo niet de informatie kan verkrijgen waar hij om heeft gevraagd. De rechtbank deelt, na kennisgenomen te hebben van de betreffende informatie, het standpunt van de korpschef dat de gegevens waarvan eiser om openbaarmaking heeft verzocht, gegevens betreffen die onder de Wpg vallen. De Wpg regelt zowel de openbaarmaking als de individuele verstrekking en is daarmee uitputtend. Omdat de Wpg een uitputtende regeling voor de verstrekking van politiegegevens bevat, kan de korpschef de gevraagde informatie niet op grond van artikel 5.5 van de Woo verstrekken.
6 Hetgeen eiser in de gronden van beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Hoewel artikel 5.5 van de Woo is bedoeld als vangnetbepaling, moet bij de behandeling van een Woo-verzoek op grond van dit artikel, gelet op de woorden ‘onverminderd het elders bij wet bepaalde’, eerst worden beoordeeld of er sprake is van een andere regeling voor de op eiser betrekking hebbende gegevens. Is dit het geval, dan heeft die regeling voorrang. Er is in dat geval geen plaats meer voor artikel 5.5 van de Woo, omdat dit artikel niet bedoeld is om toch documenten te krijgen die eiser op grond van een andere regeling niet behoort te krijgen. Om die reden is ook de inventarisatie niet aan de orde en is evenmin plaats voor een belangenafweging op grond van de Woo.
7 Het voorgaande betekent dat eiser alleen op grond van de Wpg kan verzoeken om inzage in de gegevens zoals weergegeven onder 1.1.
8 Eisers beroepsgrond dat de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden, slaagt evenmin. De rechtbank is van oordeel dat uit het bezwaarschrift van eiser, gelet op de juiste afwijzingsgrond van de korpschef zoals omschreven onder 5, aanstonds bleek dat het geen kans van slagen had. De korpschef heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, eerste lid, aanhef en b, van de Awb en op die grond van het horen van eiser in de bezwaarfase kunnen afzien.
Conclusie en gevolgen
9 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat de afwijzing van het Woo-verzoek van eiser in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.