Rb. Noord-Nederland 11 februari 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:438
Een vader verstrekt in 2010 aan zijn zoon een lening om een eigen onderneming te starten. In 2016 voert de vader in zijn aangifte inkomstenbelasting een verlies van € 24.100 op in verband met de kwijtschelding van een deel van de lening. Het verlies wordt opgegeven als een negatief resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen. Bij het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting volgt de inspecteur de aangifte niet. Het aangegeven negatieve resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen wordt niet in aanmerking genomen door de inspecteur. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur het aangegeven negatieve resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen terecht niet in aanmerking heeft genomen. De lening is terecht aangemerkt als een Tante Agaathlening. Uit de wetsgeschiedenis leidt de rechtbank af dat het de bedoeling van de wetgever is dat een Tante Agaathlening niet als een ongebruikelijke terbeschikkingstelling kan worden aangemerkt, tenzij de voorwaarden van de Tante Agaathlening zodanig zijn dat onafhankelijke derden deze lening in het kader van durfkapitaal niet zouden zijn overeengekomen. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat de in de geldleningsovereenkomst opgenomen voorwaarden zodanig afwijken van voorwaarden die derden in het kader van de durfkapitaalregeling stellen, dat alsnog sprake is van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling.
De uitspraak op rechtspraak.nl