Rb. Noord-Nederland 23 juli 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3354
Verzekeringsrecht. Tussenvonnis. Partijen, twee WAM-verzekeraars, stonden ten tijde van een verkeersongeval bij de RDW geregistreerd als WAM-verzekeraar van hetzelfde voertuig. Het voertuig was op dat moment overgedragen aan een derde – de bestuurder – die geen eigen WAM-verzekering had afgesloten. De bestuurder veroorzaakt een ongeval. De benadeelde heeft met succes één van de twee WAM-verzekeraars aangesproken. De verzekeraar die heeft uitbetaald zoekt (deels) regres op de andere WAM verzekeraar. De vraag is of de uitkerende WAM-verzekeraar in deze procedure een vordering heeft op de andere geregistreerde WAM-verzekeraar. De rechtbank oordeelt bevestigend omdat beide WAM-verzekeraars niet aan de benadeelde kunnen tegenwerpen dat zij geen WAM-verzekeraar zijn (art. 13 lid 7 WAM), zodat zij allebei door de WAM gehouden zijn om dezelfde schade (namelijk die van de benadeelde) te vergoeden. Van samenloop ex artikel 7:961 BW is in het onderhavige geval geen sprake. Op grond van art. 6:102 BW zijn zij hoofdelijk verbonden en gehouden om in hun onderlinge verhouding aan de schade-uitkering bij te dragen. Art. 13 lid 5 WAM over het van kracht worden van een nieuwe verzekering ten aanzien van hetzelfde voertuig ziet op het narisico van artikel 13 lid 4 WAM en kent geen andere zelfstandige betekenis. De zaak wordt verwezen naar de rol voor uitlaten over de nog vast te stellen omvang van de schade.
De uitspraak op rechtspraak.nl