Rb. Noord-Nederland 17 april 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2475

Eiser stelt dat hij recht heeft op dwangsommen wegens: a) het niet-tijdig in behandeling nemen van de aangifte IB/PVV, b) het niet-tijdig verstrekken van een inkomensverklaring, c) het weigeren van de registratie van een postadres en d) het niet-tijdig reageren om zijn verzoek om een dwangsom. De rechtbank oordeelt dat in dit geval rechtsgevolgen worden verbonden aan het registreren van eisers adres omdat dit gevolgen heeft voor het al dan niet in behandeling nemen van de aangifte IB/PVV van eiser. Hiermee is - materieel getoetst - sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat hierop de dwangsomregeling van toepassing is. Voor het overige heeft eiser geen recht op dwangsommen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken