Rb. Noord-Nederland 22 april 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1509

Eiser werkt van 1 januari 2017 tot en met 31 mei 2017 voor een Liechtensteinse werkgever. Op zijn loon worden Liechtensteinse sociale zekerheidspremies ingehouden. De SVB heeft op 4 maart 2022 een A1-verklaring afgegeven voor de periode 1 oktober 2016 tot en met 31 mei 2017 en de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing verklaard. Over die A1-verklaring wordt in de sociale zekerheidskolom nog geprocedeerd. Bij zijn aangifte IB/PVV 2017 heeft eiser aangegeven alleen verplicht verzekerd te zijn voor de PVV voor de periode 1 juni 2017 tot en met 31 december 2017. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2017 geen premievrijstelling verleend voor (een deel van) 2017. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur dit terecht niet heeft gedaan. De inspecteur en de belastingrechter zijn gebonden aan de A1-verklaring, ook als die nog niet onherroepelijk vaststaat. De rechtbank oordeelt verder dat de in Liechtenstein betaalde sociale zekerheidspremies wel tot het bruto loon van eiser behoren en dat de inhouding ervan moet worden gezien als inkomensbesteding. De rechtbank acht de in Liechtenstein betaalde premies wel aftrekbaar met toepassing van het besluit fiscale kwalificatie buitenlandse sociale verzekeringen. De situatie van eiser komt voor wat betreft de inhouding van de premies namelijk overeen met die waarin van aanvang af in Liechtenstein (ook) in juridisch opzicht daadwerkelijk verzekeringsplicht zou hebben bestaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken