Rb. Noord-Nederland 6 maart 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:710

Eiser heeft met erflaatster een schenkingsovereenkomst gesloten, volgens welke de schenking niet in de nalatenschap hoeft te worden ingebracht. Erflaatster heeft later in haar testament bepaald dat de schenking toch moet worden ingebracht. De notaris heeft de erfgenamen bij de afwikkeling van de nalatenschap, in het kader van opdracht, voorgehouden dat de wil van erflaatster uit het testament bepalend is, zodat ook de eerdere schenking is worden ingebracht. De schenking van eiser is ingebracht. Daarna is door de fiscus anders afgerekend: volgens de fiscus hoeft de schenking van eiser niet te worden ingebracht. De rechtbank oordeelt dat de notaris is tekortgeschoten door, ondanks de vragen die eiser over de inbreng heeft gesteld, niet te vertellen dat er in de literatuur discussie is over de vraag of in het testament kan worden teruggekomen op de schenkingsovereenkomst. Ook heeft de notaris de informatie van de fiscus, volgens welke de schenking niet hoefde te worden ingebracht, niet gedeeld met eiser. De notaris is daarom aansprakelijk. De kwijting en décharge staat daaraan niet in de weg. De schadebeperkingsplicht strekt niet zo ver dat van eiser gevergd moet worden dat hij de andere erfgenamen aanspreekt voor de geleden schade en de vernietiging van de verdeling inroept.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken