Rb. Noord-Nederland 10 december 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4828
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in de vervolging en veroordeelt verdachte voor het op 2 mei 2022 opzettelijk overtreden van het voorschrift gesteld bij artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet, begaan door een rechtspersoon, tot betaling van een geldboete ten bedrage van € 3000,00, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman inhoudende dat de analyseresultaten van de genomen monsters door het Waterschap dienen te worden uitgesloten van het bewijs nu de genomen monsters niet in overeenstemming met de thans geldende voorschriften zijn getransporteerd en verdachte tevens zijn recht op contra-analyse niet heeft kunnen effectueren. Met de officier van justitie ziet de rechtbank geen reden om aan de juistheid van de analyseresultaten te twijfelen. Voorts is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat het onder de genoemde omstandigheden in het onderhavige geval op de weg van verdachte had gelegen te informeren naar de analyseresultaten van de uit te voeren contra-analyse door Eurofins. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de analyseresultaten van de genomen monsters door het Waterschap bezigen voor het bewijs. De rechtbank verwerpt voorts het verweer van de raadsman dat de perceelsloot waarin afvalwater is geloosd geen oppervlaktewaterlichaam zou zijn in de zin van artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet. De betreffende perceelsloot staat immers in een directe open verbinding met een waterloop die onderdeel uitmaakt van het hoofdwatersysteem en is in beheer van het Waterschap. Dat een deel van de perceelsloot op verzoek van het Waterschap op een later moment is gedempt doet daar niet aan af. Ook een omstandigheid als bijvoorbeeld langdurige droogte die ertoe kan leiden dat een perceelsloot tijdelijk droog kan komen te staan, doet aan voornoemde kwalificatie niet af. Tot slot verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman dat het ten laste gelegde niet aan verdachte kan worden toegerekend nu de hendels die het af te voeren water afkomstig uit de ionenwisselaar naar het riool dan wel naar de perceelsloot laat afstromen niet doelbewust op die wijze zijn gepositioneerd dat het afvalwater naar de perceelsloot afstroomde. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het brengen van stoffen in de perceelsloot zowel door de bij verdachte in gebruik zijnde luchtwasser als de ionenwisselaar is veroorzaakt en heeft plaatsgevonden binnen de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon. De rechtbank acht de betreffende lozing derhalve te hebben plaatsgevonden in de sfeer van de verdachte, in die zin dat de rechtspersoon erover vermocht beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard. Vrijspraak van het op 1 november 2019 al dan niet opzettelijk overtreden van het voorschrift gesteld bij artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet, begaan door een rechtspersoon. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de analyseresultaten van de genomen monsters door het Waterschap dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat verdachte haar recht op contra-analyse niet heeft kunnen effectueren en de analyseresultaten nadrukkelijk heeft betwist. Nu de overige inhoud van het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat kan het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend worden bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
De uitspraak op rechtspraak.nl