Rb. Noord-Nederland 3 december 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4727
Veroordeling voor het opzettelijk medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6.2, derde lid, van de Wet dieren, meermalen gepleegd, en het opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.4, eerste lid, van de Wet dieren tot betaling van een geldboete ten bedrage van € 2.500,00, waarvan € 1.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast veroordeling voor het opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 3.3, eerste lid, van de Wet dieren tot betaling van een geldboete ten bedrage € 500,00. Verdachte wordt vrijgesproken van het op of in de bodem brengen van meststoffen. De rechtbank overweegt daartoe dat - hoewel het delictsbestanddeel ‘meststoffen op of in de bodem heeft gebracht’, opgenomen in de op artikel 7 van de Meststoffenwet gebaseerde tenlastelegging, zich in beginsel leent voor die functionele uitleg van daderschap - zulks handelen niet als zodanig ten laste gelegd en in de tenlastelegging omschreven. Evenmin is ten laste gelegd dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen meststoffen op of in de bodem heeft gebracht.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 14a Sr
- Artikel 14b Sr
- Artikel 14c Sr
- Artikel 23 Sr
- Artikel 24c Sr
- Artikel 57 Sr
- Artikel 62 Sr
- Artikel 359 Sv
- Artikel 1 WED
- Artikel 1a WED
- Artikel 2 WED
- Artikel 6 WED
- Artikel 7 Meststw
- Artikel 2.4 Wet dieren
- Artikel 3.3 Wet dieren
- Artikel 6.2 Wet dieren
- Artikel 3.22 Regeling dierlijke producten
- Artikel 1.14 Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren
- Artikel 4.8 Regeling houders van dieren
- Artikel 5b.49 Regeling houders van dieren