Rb. Noord-Nederland 4 oktober 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4001

Last onder dwangsom over permanente bewoning van een recreatiewoning De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen het er over eens zijn dat in dit geval voorafgaand aan het primaire besluit sprake is geweest van een overtreding van het bestemmingsplan. Vaststaat dat eisers voorafgaand aan het primaire besluit de recreatiewoning op het perceel hebben gebruikt voor permanente bewoning. Het college was daarom in dit geval in beginsel bevoegd was om handhavend op te treden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Er is geen aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Wel hebben eisers op 4 januari 2024 een conceptverzoek ingediend. Uit de brief van 16 februari 2024 volgt dat het college in dit geval geen medewerking wil verlenen aan permanente bewoning van het perceel. Alleen hierom is al geen sprake van een concreet zicht op legalisatie. De stellingen van eisers over de landelijke en provinciale ontwikkelingen in de wooncrisis en over een motie van de gemeenteraad maken dat niet anders. Voor wat betreft het beroep van eisers op het evenredigheidsbeginsel overweegt de voorzieningenrechter dat het dwangsombesluit geschikt en noodzakelijk is om de overtreding te beëindigen. De voorzieningenrechter komt verder tot het van oordeel dat het bestreden besluit in dit geval niet onevenwicht is. Het college heeft de door eisers aangevoerde belangen en omstandigheden naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dusdanig zwaarwegend hoeven achten dat het college van handhaving af had moeten zien. De voorzieningenrechter ziet in de stellingen van eisers over de wooncrisis en hun gestelde onmogelijkheid om een geschikte woonruimte te vinden geen zwaarwegende bijzondere omstandigheden. Voor zover eisers betogen dat het college in het kader van een afweging van belangen hen meer tijd hadden moeten gunnen, overweegt de voorzieningenrechter dat eisers sinds het voornemen tot handhavend optreden inmiddels een jaar de tijd hebben gehad om vervangende permanente woonruimte te vinden. Ook is van belang dat eisers de door hen gestelde onmogelijkheid om een geschikte woonruimte te vinden, niet met stukken hebben onderbouwd. Eisers onderbouwen niet hoe hun zoektocht naar een koop- of huurwoning verloopt. Daartegenover heeft het college in de afweging zwaar laten wegen dat permanente bewoning van recreatievoorzieningen op [locatie] negatieve gevolgen voor recreanten heeft. De voorzieningenrechter volgt eisers evenmin in hun stelling dat in dit geval sprake is geweest van een gebrek aan maatwerk en dat onvoldoende rekening is gehouden met hun bijzondere persoonlijke omstandigheden. Het college mocht bij de afweging om handhavend op te treden betrekken dat eisers de recreatiewoning hebben gekocht en zijn gaan bewonen in de wetenschap dat permanente bewoning van die woning in strijd is met het bestemmingsplan. Dat eisers van andere personen zouden hebben gehoord dat de overtreding mogelijk gedoogd zou worden, doet geen afbreuk aan het feit dat eisers er bewust voor hebben gekozen het risico te nemen om hun woning in strijd met het bestemmingsplan te gaan bewonen. Daar komt bij dat het college vrijwel direct na de inschrijving in de Basisregistratie personen van eisers en de start van hun bewoning van de recreatiewoning op het perceel, het handhavingstraject heeft opgestart. Ook is van belang dat het college tijdens de bezwaarprocedure eisers op hun eigen verzoek tegemoet is gekomen door de begunstigingstermijn te verlengen tot zes weken na het besluit op hun bezwaar. Hierdoor hebben eisers extra tijd gekregen om vervangende woonruimte te vinden zonder dat de dwangsom werd verbeurd. De voorzieningenrechter volgt eisers daarom niet dat het college hun specifieke situatie en hun individuele belangen onvoldoende heeft meegewogen bij het nemen van het bestreden besluit. Voor zover eisers een beroep doen op fysieke en psychische klachten, is de voorzieningenrechter in dit geval niet gebleken van medische omstandigheden die voor het college aanleiding hadden moeten zijn om af te zien van handhavend optreden. Voor zover eisers een beroep doen op situaties waarin volgens hen sprake is van gedogen van onrechtmatige bewoning, ziet de voorzieningenrechter daarin geen grond om het bestreden besluit onrechtmatig te achten. Eisers hebben niet aan de hand van concrete situaties en met bewijsstukken aangetoond dat in het verleden sprake is geweest van een vergelijkbaar geval waarin het college geheel van handhavend optreden heeft afgezien bij permanente bewoning van een recreatiewoning op het recreatieterrein waarop de recreatiewoning van eisers staat. De voorzieningenrechter volgt eisers ook niet in hun stelling dat het college in dit geval heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat het bestreden besluit weliswaar grote gevolgen heeft voor eisers, maar dat dit niet betekent dat handhavend optreden daarom voor hen onredelijk bezwarend en onevenredig is. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom in stand blijft. Wel ziet de voorzieningenrechter, gelet op het belang van eisers om niet direct na deze uitspraak geconfronteerd te worden met een mogelijke verbeurte van een dwangsom, aanleiding om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de voorlopige voorziening te treffen dat de begunstigingstermijn genoemd in de brief van het college van 13 februari 2024 met terugwerkende kracht wordt verlengd tot veertien dagen na verzending van deze uitspraak.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken