Rb. Noord-Nederland 30 juli 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:2959
Eiser is een rijnvarende en is gedurende het hele jaar 2018 in dienst van een Liechtensteinse werkgever. Eiser heeft bij zijn aangifte IB/PVV 2018 verzocht om vrijstelling van de premies voor de Nederlandse volksverzekeringen voor heel 2018. De SVB heeft in augustus 2018 een A1-verklaring afgegeven waarbij in de periode 1 september 2016 tot en met 31 maart 2019 het Nederlandse sociale zekerheidsrecht van toepassing is verklaard. Het Liechtensteins bevoegd orgaan heeft op 15 oktober 2018 een A1-verklaring afgegeven waarbij vanaf 1 september 2018 het Liechtensteinse sociale zekerheidsrecht van toepassing is verklaard. De SVB heeft bezwaar gemaakt tegen deze A1-verklaring. De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag geen premievrijstelling verleend. Eiser stelt dat hij in aanmerking komt voor een vrijstelling voor de Nederlandse premies volksverzekeringen voor de periode 1 september 2018 tot en met 31 december 2018 o.b.v. de Liechtensteinse A1-verklaring, die het meest recent is. De rechtbank constateert dat de Nederlandse A1-verklaring nog steeds geldt, ook over de periode 1 september 2018 tot en met 31 december 2018. De Liechtensteinse A1-verklaring doet daar niet aan af. Liechtenstein had de A1-verklaring niet mogen afgeven, zolang de Nederlandse er nog lag. De inspecteur heeft dus terecht geen premievrijstelling verleend. Eiser vindt dat de Regeling tegemoetkoming rijnvarenden van overeenkomstige toepassing moet worden verklaard op hem en ziet strijd met het gelijkheidsbeginsel als dat niet gebeurt. De rechtbank ziet onvoldoende reden voor de conclusie dat de keuze van de regelgever om de regeling te beperken tot Rijnoeverstaten en de periode tot en met 2015, evident van redelijke grond is ontbloot. De regelgever heeft de voorwaarden bewust aangebracht en de gevolgen daarvan bewust aanvaard. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij nog recht heeft op toepassing van de wkr en dat het loon daardoor met 1,2% moet worden verminderd en dat er nog meer aftrekposten in mindering moeten worden gebracht op het loon. De rechtbank oordeelt dat het onduidelijk is waar het door eiser in zijn aangifte vermelde loon van € 42.423op is gebaseerd. Het bruto loon in Zwitserse franken vermeerderd met een aantal vaste vergoedingen die ook tot het loon behoren leveren een fiscaal loon op van ten minste € 45.334. Toepassing van de wkr leidt er dan niet toe dat de aanslag te hoog is vastgesteld. Eiser vindt verder dat hij gediscrimineerd wordt omdat zijn aangifte IB/PVV altijd wordt gecontroleerd, alleen omdat hij rijnvarende is. De rechtbank is van oordeel dat het werken als rijnvarende geen zuiver persoonskenmerk is. De rechtbank ziet voldoende rechtvaardiging om deze groep aan extra controles te onderwerpen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567
- Rb. Den Haag 15 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3632
- HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1789
- HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:697
- HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:652
- HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748
- CRvB 22 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:951
- HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725
- HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252
- HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1211
- EHRM 29 april 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805
- HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3896
- EHRM 22 juni 1999, ECLI:CE:ECHR:1999:0622DEC004675799